De repressiemonarchie van koning Willem I

Als de herinnering aan een bezetting vervaagt, wordt repressie weer acceptabel. Een bekend patroon, zegt historica Beatrice de Graaf.

Toen rond 1890 een serie anarchistische aanslagen werd gepleegd in Europa, bleef dit geweld Nederland bespaard. Toch drongen ook hier hoge ambtenaren aan op dezelfde repressieve wetten als in de buurlanden. Regering en parlement hielden dat tegen; zij wilden niet terug naar ‘het juk van Napoleon’.

Herinneringen aan bezetters werken lang door. Een kwart eeuw na de Tweede Wereldoorlog verzetten veel Nederlanders zich tegen de volkstelling met de leus ‘niet weer een Gestapo’. Nederland, zegt historicus Beatrice de Graaf, kent een bijzondere paradox. „Bezettingsmachten zorgden voor doorbraken in ons veiligheidsbeleid, maar de herinnering aan die episodes zet er ook een rem op.” Die rem lijkt er nu af.

Vorig jaar werd De Graaf hoogleraar aan de Universiteit Leiden met als leeropdracht ‘conflict en veiligheid in historisch perspectief’. Vanmiddag hield ze haar oratie. Een goede aanleiding om wat lijnen te trekken door de geschiedenis van het vaderlandse veiligheidsbeleid.

De Graaf doet samen met vijf aio’s onderzoek naar die historie. Als beginpunt nemen ze 1815, de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden. De Graaf: „Onder de Republiek was er alleen stedelijk veiligheidsbeleid; de schout was verantwoordelijk voor de openbare orde. Veiligheidsdiensten bestonden niet: waar geen nationaal gezag bestaat, is ook geen idee van ‘landverraad’. Personen registreren deden alleen de gilden, de stedelijke armenzorg en de handelscompagnieën met hun monsterrollen. Die registratie diende economisch doelen, niet de handhaving van een centraal gezag. Er was geen dienstplicht en men belastte goederenstromen, geen individuele inkomsten. Pas in 1810 voerde Napoleon een nationaal strafrecht en de dienstplicht in.”

Nederland heeft driemaal in zijn geschiedenis trekken vertoond van een politiestaat: tijdens de Franse en Duitse bezetting en onder koning Willem I. De Graaf: „Dit jaar vieren we tweehonderd jaar monarchie. Maar het is ook twee eeuwen geleden dat Willem I alle repressie-instrumenten van Napoleon overnam, inclusief een netwerk van spionnen. Hij liet mensen oppakken voor het schrijven van kritische teksten tegen het koningshuis en het protestantse geloof. Mikpunt waren onder meer radicale democraten, die teleurgesteld waren in Willem, want zij hadden gedacht dat ze nu eindelijk een constitutionele democratie zouden krijgen. Bisschoppen die niet voor de vorst wilden bidden, moesten worden gedeporteerd.”

Willem stelde deze oekazes op samen met zijn minister van Justitie, Cornelis van Maanen. „Die begon zijn loopbaan onder de Bataafse Republiek en was minister van Justitie onder Lodewijk Napoleon en Willem I. Hij was een man van de binnenlandse veiligheid, maar hij had ook rechtstatelijke opvattingen. Zo vond hij dat de van Napoleon geërfde geheime politie ingebed moest worden in de rechtsstaat.” De soep werd dan ook niet zo heet gegeten als hij door de koning werd opgediend. De Graaf: „Veroordelingen in het verlengde van deze oekazes heb ik nog niet gevonden.”

Rond 1900 raakte het veiligheidsbeleid in een stroomversnelling, door de vorming van een landelijke recherche in 1898 en door technologische vernieuwingen als fotografie en de studie van vingerafdrukken. In 1914 werd het paspoort ingevoerd, want na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Nederland niet alleen overstroomd met vluchtelingen, maar ook met spionnen.

De registratie van burgers nam een grote vlucht in de jaren dertig, toen topambtenaar Jacob Lentz de plaatselijke bevolkingsregisters onder landelijke supervisie plaatste en uitrustte met tabuleer- en ponskaartmachines. De Duitse bezetter maakte dankbaar gebruik van deze moderne administratie en voerde het persoonsbewijs in. Bevolkingskantoren werden doelwit van aanslagen door het verzet.

Die verzetslijn werd na de oorlog doorgetrokken; Nederland kende nog decennialang een anti-totalitaire reflex. De Graaf: „Die bleek uit het verzet tegen de volkstelling van 1971. En hij werkte door in de Grondwet van 1983: ‘veiligheid’ werd geschrapt en ging op in ‘bescherming van onze vrijheden’. Veiligheid stond in dienst van vrijheid. Tot 1994, toen de identificatieplicht opnieuw werd ingevoerd.”

In het land was de stemming omgeslagen. „Sinds de jaren zestig zien we een golf van criminaliteit en verloedering van de grote steden. De opsporingstechnologie maakte een sprong vooruit met DNA-profilering, en dat is geaccepteerd. Mensen zeggen: er is een groot criminaliteitsprobleem, vooruit maar.”

De Graaf maakt zich zorgen. „Als je luistert naar de ‘heterdaadkracht’ waarmee nu nieuwe herkennings- en registratietechnieken worden gepresenteerd rijzen vragen: hoe voer je dat in, hoe controleer je het op correctheid, wie maakt de algoritmes, hoe bepaal je of zo’n computer er terroristen uit filtert, wat is fout en wat is goed gedrag, en wie bepaalt dat? Het gaat zo snel dat ik geneigd ben te roepen: wacht even, is dit überhaupt effectief, wek je geen overspannen verwachtingen?”