Boeren moeten sneller groener worden

De landbouw is van groot belang voor Nederland, maar heeft alleen bestaansrecht als er versneld duurzamer wordt gewerkt. Dat staat in een rapport dat deze week werd aangeboden aan de staatssecretaris.

De tomatenkweker is populair bij onderzoekers en politici. „Rutte. Samsom. Ik heb ze allemaal gesproken. Ze zijn hier allemaal geweest”, zegt Rik van den Bosch. Samen met zijn broer Bart, zijn zus Petra en zijn vader Aad leidt hij een hypermodern en vooral duurzaam bedrijf met honderdvijftig werknemers in het kassengebied van Bleiswijk. „Dit is een sector waar duurzaamheid en rentabiliteit goed samen gaan.”

Klompen vind je hier niet. Wel veel computers en volautomatische voedingssystemen. Als alle agrarische ondernemers in Nederland zouden werken zoals dit familiebedrijf Van den Bosch, denken deskundigen, dan is de toppositie van de sector in de wereld gegarandeerd. Deze week overhandigde de Raad voor leefomgeving en infrastructuur zijn advies Ruimte voor duurzame landbouw aan staatssecretaris Sharon Dijksma (Landbouw, PvdA). Hoofdconclusie: de landbouw is van groot belang voor Nederland, maar heeft alleen bestaansrecht als er versneld duurzamer wordt gewerkt. „Alleen door de verduurzaming te versnellen en te intensiveren ontstaat zicht op een vitale en maatschappelijk geaccepteerde land- en tuinbouw in de verdere toekomst.”

De Nederlandse landbouw „bevindt zich in een spanningsveld”, stelt het rapport. Enerzijds is er harde concurrentie op vooral de Europese markt met schommelende prijzen. Anderzijds stelt de samenleving almaar hogere eisen. Voedsel moet veiliger. Dieren moeten beter worden behandeld. Bedrijven moeten milieu en natuur sparen. En ze mogen ook het landschap niet ontsieren.

„De belangentegenstelling tussen landbouw en samenleving is groot”, constateert Niels Koeman, voorzitter van de commissie die het advies opstelde. „We staan met de rug naar elkaar toe. De enige manier om uit deze patstelling te komen, is het debat aan te gaan, en het bestaan van verschillende bedrijfsvormen te accepteren. In zekere zin zit de spanning in de consument zelf. Dat er varkensflats bestaan, kun je eigenlijk niet aan je kinderen uitleggen. Tegelijk wil je een niet te duur stukje vlees op je bord. Het besef dat deze spanning in onszelf zit, is het begin van de oplossing. Een andere weg dan door te verduurzamen, is er niet.” Burgers moeten bij landbouw worden betrokken, meent Koeman. „Er wordt altijd gesproken over de gouden driehoek van landbouwproducenten, overheid en kennisinstituten. Wij zeggen: maak er een gouden vierhoek van, met de samenleving erbij.”

Voorzitter Henry Meijdam van de Raad voor leefomgeving en infrastructuur: „Nederland is mondiaal het derde exporterende landbouwland. We kunnen ons niet veroorloven de sector te negeren. Maar men zal wel een slag moeten maken. Zodat we de voorsprong die we in de wereld nu nog hebben, ook kunnen behouden. Wij beschouwen duurzaamheid niet als een truc om het draagvlak voor de landbouw te vergroten. We bepleiten een driedubbele duurzaamheid: sociaal, ecologisch en economisch. Alleen zo is de continuïteit gewaarborgd.”

Als voorbeeld geldt het Zuid-Hollandse Bleiswijk. Een sieraad voor het landschap kun je de kassen van Van den Bosch lastig noemen. Ze maken deel uit van een groot glastuinbouwgebied. Maar Van den Bosch ontziet wel het milieu. Het bedrijf heeft 80 procent energie bespaard. Een pomp trekt zestig graden warm water uit de waterhoudende laag op zeventienhonderd meter diepte. Aardgas is overbodig. De CO2 die nodig is om de vleestomaten te laten groeien, koopt Van den Bosch van Shell Pernis en wordt via een netwerk van leidingen aangevoerd. Groeilampen zijn er niet. ’s Nachts gaan de schermen dicht en heeft de omgeving geen lichthinder. Afvalwater wordt hergebruikt, net als de kunstmest. De tomatenplanten hangen vrij van de grond in bakjes steenwol en krijgen via een infuus voeding. Ook de steenwol wordt gerecycled. Chemische bestrijdingsmiddelen ontbreken. Vijanden van de vleestomaat zoals de witte vlieg worden bestreden door sluipwespen en roofmijten.

De familie Van den Bosch heeft met ruim 25 hectare tweederde van het Nederlandse areaal aan vleestomaten in bezit. Rik van den Bosch: „Wij zijn gelukkig een familiebedrijf, hebben geen aandeelhouders die alleen op korte termijn denken. We hebben gigantische investeringen gedaan, vooral in de aardwarmte, maar die investeringen zijn over tien jaar terug te verdienen. Wij vinden het prettig om controle te hebben, zijn niet meer afhankelijk van energieprijzen. Je praat over investeringen van twee tot drie keer de jaaromzet, maar energie was voor ons normaal gesproken een grote kostenpost. Duurzaamheid is bovendien belangrijk voor onze afnemers. Die willen verse, veilige en schone producten. Wij leveren aan onder meer supermarkten en fastfoodketens. Die hebben interne duurzaamheidsdoelstellingen. En ze willen natuurlijk geen schandalen.”

Er zijn volgens het advies drie redenen om te hopen dat over dertig tot veertig jaar ook het kleine en volle Nederland nog een flinke landbouw zal kennen. Koeman: „De landbouw maakt deel uit van de maakindustrie, een conglomeraat van bedrijven in agrofood. Dat zou je ernstig op de proef stellen als de landbouw zou verdwijnen.” Ten tweede het belang van de landbouw voor de voedselproductie voor eigen land en als voorbeeld voor andere landen. Koeman: „Wij leren hoe ze in China duurzaam kippen kunnen houden en rozen kunnen kweken.” Ten slotte is de landbouw hoeder van het platteland. Koeman: „We kennen de beelden van onze vakanties: velden met ingezakte schuurtjes in Portugal waar de landbouw is verdwenen. Dat moeten we hier niet willen.”

De onderlinge verschillen in de Nederlandse landbouw zijn enorm. Discussiëren over welke bedrijfsvorm het duurzaamst is, werkt „verlammend”, zegt raadsvoorzitter Meijdam. „We proberen aan schuttersputjes voorbij te gaan.” De Raad onderscheidt drie categorieën bedrijven die allemaal op hun eigen manier duurzamer moeten worden. Zo heeft het niet al te grote „gespecialiseerde rurale bedrijf” met veelal melkvee in een familiemaatschap voldoende „economische spankracht”, en ook met „het respect en het vertrouwen van de burgers” zit het wel snor. Maar ecologisch schort er wel het een en ander aan. „Het grondgebonden karakter maakt het moeilijk om milieu- en gezondheidseffecten van de productie voldoende onder controle te krijgen.”

Dan zijn er de „quasi-industriële” bedrijven, zoals grote tuinbouwbedrijven en intensieve veehouderijen. Hier is de grootste „uitdaging” niet zozeer een verantwoorde omgang met milieu en de zorg om voldoende kapitaal. Veel belangrijker is het om „maatschappelijke weerstanden” te overwinnen. „Geloofwaardig maken dat deze wijze van productie diervriendelijk en gezond kan plaatsvinden, en daarvoor maatschappelijke steun verwerven.”

Ten slotte noemt de Raad het „stedelijk georiënteerde bedrijf” dat zijn producten aan huis verkoopt en diensten als kinderopvang, recreatie, natuurbeheer aanbiedt. Zulke ondernemingen zijn goed voor de „beleveniseconomie” maar ze hebben het financieel lastig. Koeman: „De spreekwoordelijke boerderij in Abcoude waar Amsterdammers met kinderen achterop in het weekeinde naar toe fietsen, is sociaal geaccepteerd. Maar de winstgevendheid is zorgelijk.”