Alle heil komt van de bonobo's

Religie is niet uitgevonden, wetenschap wel. Maar waar komt het idee dan toch vandaan dat de twee elkaar moeten bevechten, vraagt Frans de Waal zich af in zijn vandaag verschenen boek.

Wat gebeurt er als je een paar dozijn kinderen achterlaat op een eiland, zonder volwassenen? Dit gedachtenexperiment leidde in Lord of the Flies (1954), de klassieke roman van Nobelprijswinnaar William Golding, tot egoïsme, wreedheid en brute moord.

Wereldberoemd apenbioloog Frans de Waal gelooft helemaal niets van die uitkomst. Aan het slot van zijn nieuwste boek geeft hij een eigen draai aan Goldings eilandverhaal. Zéker zullen er morele regels ontstaan. Want kinderen zijn al heel vroeg bezig met moreel gedrag, is De Waals ervaring. ‘Dat is niet eerlijk!’ is een van de meest gehoorde verwijten op het schoolplein. Kinderen zijn van nature moralisten, schrijft hij.

En verder?

Er zal bij die kinderen zeker een duidelijke sociale rangorde ontstaan, en dat zal niet zonder klappen gaan, in zoverre had Golding gelijk. De mens is nu eenmaal een hiërarchische primatensoort, schrijft De Waal. ‘Ik zie nog de bleke gezichten voor me van de studenten psychologie die doorkneed waren in het academische gelijkheidsbeginsel, maar op hun eerste onderzoeksdag op de crèche jonge kinderen op elkaar zagen meppen.’ Als die hiërarchie eenmaal gevestigd is, zal er ook stabiliteit heersen. ‘Over het algemeen onderhouden primaten graag goede betrekkingen’. Ze houden niet van ruzie.

De mensenkinderen zullen óók een symbolische taal ontwikkelen, met alle culturele gevolgen van dien. Zo ontwikkelden dove kinderen in een ouderwets Nicaraguaans kindertehuis ooit een eigen en complete gebarentaal, volstrekt tegen de strenge verboden in. De eilandkinderen zullen verder elkaars bezittingen respecteren – dat doen chimpansees ook. En ongetwijfeld zal er volgens De Waal een religie ontstaan: in enigerlei vorm zullen er op het eiland van William Golding rituelen komen om bovennatuurlijke krachten gunstig te stemmen.

Wat er op dat eiland zeker niet zal ontstaan is wetenschap. Religie is er bij mensen altijd en overal geweest, wetenschap is hooguit een paar duizend jaar oud. De Waal schrijft: ‘Wetenschap is een jas die we net hebben gekocht. We lopen voortdurend het risico hem te verliezen of weg te gooien.’ Wetenschap is uitgevonden en religie is aangeboren. Godsdienst is vooral levenspraktijk en wetenschap is een kennisverwervingsmachine. Alleen dogmatici van beide kanten maken daar ruzie over.

De rol van godsdienst is De Waals grote nieuwe thema in dit boek. Wat dat betreft is de Amerikaanse titel (The Bonobo and the Atheist: In Search of Humanism Among the Primates) preciezer dan de Nederlandse, waar de nadruk ligt op de moraal. Overigens komt ook de moraal ruimschoots aan de orde. De Bonobo en de Tien Geboden heeft alle kenmerken die het boek tot een echte De Waal maken en die hem in 2007 een plaats gaven in de Time-lijst van 100 meest invloedrijke mensen ter wereld.

De Waal beschrijft opnieuw hoe dieren – en bovenal mensapen – rekening met elkaar houden en hoe die zo bereikte sociale evenwichten de evolutionaire basis vormen voor onze mensenmoraal. Onze morele beschaving is geen vernis maar diep geworteld – dat was het grote thema van zijn eerste echt grote publieksboek Van nature goed uit 1996. Ook maakt hij duidelijk dat de zachtmoedige bonobo even belangrijk is om de mens te begrijpen als de agressieve chimpansee. Daarnaast laat hij zien dat bonobo’s wel degelijk grote conflicten kunnen hebben – zoals hij in 1997 schreef in Bonobo, De vergeten mensaap – en dat wij in essentie hetzelfde nastreven als de rest van onze mensapenfamilie (De aap in ons, uit 2005).

Jeroen Bosch

De Waal benadrukt verder dat wij mensen geboren zijn om mee te voelen met anderen. ‘Ons brein is erop gericht de grens tussen onszelf en anderen te doen vervagen, het is een zeer oud neuraal netwerk dat elk zoogdier kenmerkt.’ (Een tijd voor empathie, 2009). En dat alles ingebed tussen prachtige anekdotes over apen, olifanten, schildpadden en zelfs de schilder Jeroen Bosch en de Dalai Lama.

Maar vooral gaat het over religie. Zelf gelooft De Waal niet in een god, waarom zou hij? Maar dat maakt religie niet waardeloos. Godsdienst is veel méér dan een geloof. Religie helpt morele emoties te ontwikkelen. Door godsdienst krijg je aandacht ‘voor de ander waar je niks mee te maken hebt’, het leert je nadenken ‘over de juistheid van handelen waar je zelf niks te maken mee hebt’. Dat is een uniek kenmerk van de mens: wij kunnen oordelen over handelingen die ons niet raken. Dieren interesseert dat niks.

Die ontwikkeling van het morele vermogen zou – in theorie – ook door de filosofie of de fietsenmaker kunnen zijn gedaan, maar in de geschiedenis van de mens is die rol nu eenmaal door religie vervuld. ‘Het is onmogelijk om te zien hoe moraal er zonder godsdienst uit zou zien.’

De Waal, die al sinds 1981 in de Verenigde Staten werkt en Brabants met een Amerikaans accent spreekt, toont zich in dit boek een radicale polderaar. Hij wordt zelfs echt kwaad op mensen die religie en wetenschap met elkaar willen laten vechten. Aan fundamentalistische christenen maakt hij weinig woorden vuil. Hij richt zijn pijlen op wetenschappelijke neo-atheïsten als Richard Dawkins, Sam Harris en Christopher Hitchens, die in zijn ogen totaal niet begrijpen wat religie is. Het afschaffen van religie, zoals die stroming wil, is een vorm van zelfamputatie, en het is maar de vraag wat er voor in de plaats komt.

De Waal strijdt met twee wapens. Ten eerste ziet hij religie als een natuurlijk onderdeel van het menselijke sociale bestaan, dat ook meestal helemaal niet vijandig staat ten opzichte van wetenschap. Waarom zou het ook? Religie definieert sociale betekenis, geen feiten. ‘De vraag is niet zozeer of religie juist of onjuist is, maar hoe ze ons leven beïnvloedt.’

De meeste gelovigen hebben geen probleem met wetenschap. Waarom zouden wetenschappers hen dan tegen zich in het harnas jagen door te hameren op de uitwassen van religie? ‘Gooi er een paar plaatjes van boerka’s tegenaan, breng vrouwenbesnijdenis ter sprake, en o wee als iemand iets over jouw afkeer van religie durft te zeggen.’ Mensen opjutten door schande te spreken van gewoonten die hun vreemd zijn, is makkelijk zat, schampert de bioloog. Dat is net zo goedkoop ‘als hen te laten sidderen door een moord met een kettingzaag te laten zien.’

Origineler is De Waal in zijn tweede punt. Hij laat namelijk weinig heel van de vermeende ethische superioriteit van de wetenschap. ‘De grootste misvatting is dat we alleen maar meer kennis nodig hebben om tot een rechtvaardige samenleving te komen.’ Alsof iemand die weet hoe een ei moet smaken er ook zelf een kan leggen, smaalt hij. En alsof de wereld beter af zou zijn met priesters in witte jassen dan met priesters in habijt. Wetenschappers zijn echt niet zoveel slimmer dan andere mensen en ze zijn ook heus niet de hele dag bezig met het ontmaskeren van hun eigen fouten. Welnee, ‘de doorsneewetenschapper heeft aan het begin van zijn loopbaan een interessante vondst gedaan, waarna hij er zijn leven lang voor zorgt dat anderen zijn bijdrage bewonderen en niemand die ter discussie stelt. Academici zijn kinderlijk jaloers en raken gemakkelijk overstuur als er iets nieuws voorbijkomt dat ze niet hebben zien aankomen.’

Selectie

Het belangrijkste verschil met religie is dat in de wetenschap door het systeem van werken, en niet door het karakter van de mensen, de concurrentie tussen ideeën wordt gestimuleerd. In de wetenschap heerst een natuurlijke selectie waardoor vooruitgang mogelijk is – hoe traag soms ook. Vergeleken daarmee is religie statisch. Die verandert niet uit zichzelf, maar tegelijk met de samenleving. Wetenschap kan wel een soort levensvisie opleveren: het gevoel van nietigheid in een enorm heelal. Maar dat geeft de wetenschap niet het recht mensen voor te schrijven hoe ze moeten leven.

In feite laat De Waal zich (en de mensheid als geheel) door niemand de wet voorschrijven. Want niet de religie en niet de wetenschap weten hoe mensen het beste kunnen leven. Zelfs in de vaak geprezen Gulden Regel ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet’ ziet De Waal niks. Want die gaat er ten onrechte van uit dat alle mensen ongeveer hetzelfde willen. We moeten ons leven toch echt helemaal zelf leven en alle verhalen zelf bedenken. ‘Het doet er niet toe of het God, de menselijke rede of de wetenschap is die de wetten (van de moraal) opstelt. In al deze opvattingen komt het heil van bovenaf, met als belangrijkste veronderstelling dat mensen niet weten hoe ze zich moeten gedragen en dat iemand hun dat dus zal moeten vertellen. Maar als de moraal nu eens in de dagelijkse sociale interactie ontstaat en niet op een of ander abstract geestelijk niveau?’