Waterwerken: stoere abstracties van beton

Vandaag is de laatste van zeven grote sculpturen van Ruud Kuijer geplaatst op industrieterrein Lage Weide bij Utrecht. „Beton hoort bij deze plek.”

Ruud Kuijer Foto Rien Zilvold

‘Waterwerken’ noemt Ruud Kuijer de serie van zeven sculpturen van schoon beton die hij langs het Amsterdam-Rijnkanaal heeft geplaatst, ter hoogte van de Werkspoorbrug. Vandaag wordt de laatste van de reeks onthuld, waarmee een project van twaalf jaar is voltooid.

De beelden hebben alles met de plek te maken waarvoor ze zijn gemaakt, legt Kuijer uit terwijl we over het bedrijventerrein Lage Weide rijden, aan de rand van Utrecht. Nu, in het weekend, is het verlaten, maar door de week werken er 15.000 man in ruim zeshonderd bedrijven rond de grootste binnenhaven van Nederland. Met zijn grote beelden wil Kuijer een menselijke maat aanbrengen in dit stoere landschap van water, industrie, transport.

Het zevende en hoogste beeld, ruim twaalf meter hoog, staat bij het bruggehoofd van de Werkspoorbrug, de grootste spooroverspanning van Nederland, en markeert het knooppunt van spoor en kanaal dat Nederland met het Europese achterland verbindt. In zijn bijdrage aan het boek over Waterwerken dat morgen verschijnt, schrijft Rudi Fuchs over de relatie tussen deze beelden en de plek: „In hun zorgvuldige helderheid hebben ze ook iets oer-Hollands. Ze staan daar stil en solide langs de water als een statige stoet molens. Net als in Ruisdaels beroemde schilderij zal de molen eeuwig de grijze stormwind weerstaan.”

Ook het materiaal beton hoort bij deze plek, die door transport en water en industrie wordt bepaald, zegt de beeldhouwer. „Hierachter op Lage Weide wordt beton gemaakt, gegoten, gekraakt en gerecycled.” In de kunst wordt beton meestal gezien als een vervanging van een edeler materiaal, zegt Kuijer, „maar niet bij mij. Het heeft een eigen waarde en een eigen schoonheid. Er is ook een hoop technische vernieuwing in dit materiaal – vijftien jaar geleden was het onmogelijk geweest om beelden als deze van beton te maken.”

Zijn sculpturen zijn collages van abstracte vormen en alledaagse voorwerpen die naar water verwijzen: een surfplank, een stuk septic tank, een voorgegoten tuinvijver, de roeiboot van zijn buurjongen zijn als mal gebruikt. Objets trouvés noemt hij ze. Ook de verbindende stukken hebben een relatie met de weg- en waterbouw: beeld nummer drie bijvoorbeeld is opgebouwd rond een opengezaagd stuk bekisting van een pijler van de brug bij Tiel van de Betuwelijn.

Het project van Kuijer is een toonbeeld van wat nu cultureel ondernemerschap heet. Een vreemde term, vindt hij, „want het ligt al in het kunstenaarschap besloten. Anders dan bij kunstenaars die voor het hof werkten, is er in onze tijd van tevoren geen vraag naar dat wat jij als kunstenaar wilt maken. Die vraag moet je creëren, en dan beantwoorden. Als je niet ondernemend bent kun je het vergeten.”

Het project begon met interesse van Rijkswaterstaat, maar dan moest Kuijer ook andere partijen meekrijgen. Na lang zoeken en praten werden dat Boskalis, de dienst Economische zaken van de gemeente Utrecht en de provincie. Het zeven delen tellende Waterwerken heeft naar schatting anderhalf miljoen gekost, waarvan ongeveer de helft in natura: Nuon stelde een deel van een leegstaande centrale als atelier beschikbaar, Mammoet bood een kraan aan die 100 ton kan tillen, Heidelberg Cement ontwikkelde samen met Kuijer een nieuw betonmengsel. Daarom volgt er op de onthulling een reeks debatten in filmtheater ’t Hoogt: over de artistieke betekenis van deze kunst in de openbare ruimte met de directeur van het Centraal Museum, Edwin Jacobs (24 maart), over cultureel ondernemerschap met Arjo Klamer van de Erasmus Universiteit (26 maart) en over de rol van de overheid als aanjager van bijzondere culturele projecten met Paul Schnabel. directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2 april).

Waterwerken, NAi010 Uitgevers, €35. Documentaire en debatten in ’t Hoogt en debatten, inl. hoogt.nl.