Vogelaarwijk depressiever

Bewoners van steden buiten de Randstad slikken opvallend meer antidepressiva dan het landelijk gemiddelde. In Leeuwarden slikt men 39 procent meer dan landelijk, in Maastricht 34 procent meer, in Rotterdam juist mínder dan het landelijk gemiddelde (94 procent ervan).

Dit blijkt uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in opdracht van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid. Bedoeling is in kaart te brengen hoe het psychisch welzijn in achterstandswijken is. Mensen daar, zo blijkt, slikken 17 procent meer antidepressiva dan gemiddeld landelijk. In sommige Vogelaarwijken (in Arnhem, Utrecht, Leeuwarden) slikt men 60 procent meer antidepressiva dan gemiddeld.

De cijfers gaan over 2010, maar zullen sindsdien niet erg zijn veranderd, zegt Aartjan Beekman, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. In het hele land slikken ruim 900.000 mensen een antidepressivum. Het CBS heeft in achttien steden de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie gekoppeld aan die van apothekers (niet die van zorginstellingen).

Huisartsen proberen sinds vorig jaar het gebruik van antidepressiva terug te dringen. Beekman: „Zoiets gaat langzaam.” Bekend is dat bewoners van achterstandswijken gemiddeld lager opgeleid, ongezonder en armer zijn dan mensen in andere wijken. Beekman: „Dat zijn ook de risicofactoren voor depressie: werkloos, laag opgeleid, ongezond, gescheiden. In achterstandsbuurten wonen meer depressieve mensen.”

Dat het verschil in gebruik van antidepressiva tussen steden zo groot is, is opmerkelijk. In Vogelaarwijken buiten de Randstad – Leeuwarden, Groningen, Maastricht – krijgen depressieve patiënten relatief veel medicatie. De bewoners van veel achterstandswijken in Amsterdam en Rotterdam slikken juist minder antidepressiva dan landelijk. In de Amsterdamse Bijlmer ligt de groep die antidepressiva slikt 31 procent ónder het landelijk gemiddelde.

Volgens Beekman kan dit erop wijzen dat de huisartsen en psychiaters daar betere methodes hebben om depressieve mensen te helpen. „Maar misschien krijgen sommige patiënten te weinig hulp.” Met het hoge percentage allochtone bewoners in Rotterdamse en Amsterdamse achterstandswijken en een mogelijk taboe op antidepressiva zal het weinig te maken hebben, zegt hij. „Dat taboe is er al lang af. Sterker: er rust bij allochtonen een groter taboe op psychotherapie dan op antidepressiva.”

De grote verschillen vindt hij zorgelijk. „We willen dat patiënten in de ene stad op ongeveer dezelfde manier worden behandeld als in de andere.”