Column

Schwung en eeuwigheid in schaterende welstand

Lachen is gezond. Maar daar lijkt het niet op. Want nadat ik manmoedig oogcontact heb gemaakt met de ene man, ruggelings gieberend op de grond bij de kapstok en niet ben teruggeschrokken voor een knikje naar de andere, die aanhoudend op zaal staat te gieren, houd ik laf afstand. Net als de andere gasten op de opening van de installatie Visa Bill Laughter*.

Lachen is niet gezond. Het is besmettelijk. Wij negeren die man, glas in de hand en druk verwikkeld in conversatie. Hij lacht onverstoorbaar door, zijn lege broekzakken houdt hij tussen zijn vingers. Blut! Hahaha! Wat niet zonder betekenis is, want dit is de, openbaar toegankelijke, kunstruimte van De Nederlandsche Bank aan het Amsterdamse Weteringcircuit.

De beide mannen zijn lachgoeroe’s, ze schateren hier als onderdeel van werk van de jonge Belgische kunstenaar Ben Van den Berghe. Met zijn installatie reageert hij op de bankencrisis. Op de misplaatste gewichtigheid van de bankiers. Maar óók op het misplaatste struisvogelgedrag van consumenten. En hij doet meer. Hij bewijst dat lachbesmetting bestaat. Kijk maar, nu staat iedereen toch met de mannen mee te lachen. Van den Berghe ondergraaft niet minder dan het idee van de vrije wil.

De kunstenaar ontmoette de lachgoeroe’s op zijn toer langs lachtherapiegroepen. Wie zijn Visa Bill Laughter* bij DNB bezoekt, ziet hen in actie, op video’s en op de monumentale foto’s die Van den Berghe wijdde aan de variaties op de zelfhulplac , van de ‘Naughty-Naughty’ tot de ‘Boss Quit Office’.

Van den Berghe vertelt me dat hij zijn inspiratie zoekt in de momenten dat de mens de controle loslaat. Ja, dat zie ik in de video’s. Maar die foto’s zijn anders. Ze doen niet in momenten, ze draaien stationair. Het verloop van de tijd is onderdrukt, het speelt geen rol.

In Londen zag ik het omgekeerde, op de expositie van Manet in de Royal Academy. Édouard Manet beleefde de opkomst van de fotografie en joeg die magie schilderend na. Daarom is zijn portret van zijn rouwende collega Berthe Morisot (1874) zo sterk: het verdriet glijdt over haar gezicht, en Manet ving het nog net op. Of het tafereel Le déjeuner dans l’atelier (1868). Daar is alles in beweging, van de poes die zich wast met een achterpoot omhoog, tot de jongen in het midden wiens portret dit schilderij eigenlijk is. Niks déjeuner, hij staat al. Over een halve seconde zal hij uit beeld stappen, hij zet zich met zijn billen af tegen de tafelrand. Maar Manet hééft ’m.

Dé portretfotograaf in zijn dagen was Félix Nadar. Fotografeerde Nadar Manet? Ik zoek het op. Ja, in 1875, en daarna nog een paar keer. Telkens strak geposeerd, met romantische blik. Oftewel: terwijl Manet met zijn penselen de Schwung van de fotografie uitspitte, streefde Nadar met zijn glasnegatieven naar de eeuwigheid van de schilderkunst.

En Ben Van den Berghe? Die neemt stelling. Is de lach in zijn video’s vloeiend en energiek, op zijn foto’s ontdekt hij hem als harnas.

Een schilderij is een metafoor. Een foto is wat zich voordoet. Combineer die effecten en er komt iets groots. Ik zag het, ook in Londen, op de expositie Landmark. A Stroll Through the Fields of Photography. Landschapsfotografie van de enerverende soort, waarmee fotografen van over de hele wereld naar de schilderkunst lonken. Om de kunst af te kijken, ja. En de schilder vervolgens te overtroeven.

Het leidt onveranderlijk tot afbeeldingen van landschappen die je onmogelijk kunt zien – tenzij je je camera meesterlijk gebruikt. Zoals de foto van de Nederlander Gerco de Ruijter, die werkt met een camera aan een vlieger: dat regelmatige patroon van wattenbollen? Dat is een besneeuwde kerstbomenakker, vastgelegd vanaf een onmenselijk standpunt. Soms volgt een fotograaf een fantasie voor fijnproevers, zoals de foto van een uitzicht over de Méditerranée. Spannend, want sprekend een aquarel, met het raamkozijn als lijst. Nog spannender als je weet dat de foto laat zien wat Brigitte Bardot zag in de cultfilm Le Mépris, door het raam van Villa Malaparte op Capri.

Elk landschap kiest zijn eigen vorm, zelfs als het wordt mishandeld. „Buildings are a passing fantasy,” beaamt de curator. Onder zijn voeten kraakt het parket een liedje. En mensen? „Dat zijn fruitvliegjes,” zegt hij.