Schilderende mannen met macht

Churchill, Eisenhower, Hitler: ze schilderden allemaal zo’n beetje in dezelfde stijl. Wordt George W. Bush de eerste kunstenaar-politicus die de figuratie loslaat?

Het blijkt serieuzer dan gedacht: voormalig president George W. Bush schildert zes uur per dag. Een half jaar geleden kwam al uit een geschreven portret in New York Magazine naar voren dat ‘W’ hondjes schildert. Daarop volgde het nieuws, verkregen dankzij een hacker, dat de oud-president qua onderwerpkeuze grote stappen zette. Op één van de schilderijen zijn benen en tenen van ‘43’ te zien – zoals de man al zijn werken ondertekent – op de ander staat hij onder de douche; zijn gezicht zichtbaar in het spiegeltje in zijn hand.

Nu is het nieuws nog groter: Bonnie Flood, een vrouw uit de zuidelijke staat Georgia, heeft verklaard dat ze een maand lang zes uur per dag les gaf aan ‘43’, zoals ze hem tijdens die lessen noemt. Het is duidelijk: W treedt toe tot een illuster rijtje prominente politici die, wanneer even geen macht omhanden, met kwast en olieverf aan de slag ging.

Dat rijtje? Winston Churchill, Dwight Eisenhower, Adolf Hitler.

De laatste schilderde tussen 1907 en 1914 honderden genretaferelen en stadsgezichten. Velen zijn in het bezit van de Amerikaanse overheid, die ze achter slot en grendel houdt.

Dwight Eisenhower, Amerikaans president in de periode 1953-1961, schilderde in de laatste twintig jaar van zijn leven 260 schilderijen. Daaronder veel landschappen, maar ook portretten van voorgangers als Abraham Lincoln en George Washington.

Churchill legde zich toe op landschappen, die voor hoge prijzen onder de hamer gaan. Zoals het schilderij van het land rond zijn woonhuis Chartwell, mét schapen. In 2007 bracht het meer dan een miljoen Britse pond op. Voor de Britse politicus was schilderen een manier om depressies eronder te krijgen. En al won Churchill de Nobelprijs voor literatuur met zijn memoires, als hij in de hemel zou komen, zei hij in een interview, was hij van plan „een aanzienlijk deel van mijn eerste miljoen jaar te gaan schilderen, om zo tot het diepst van die activiteit door te dringen”.

En Bush? Lerares Flood is ervan overtuigd dat hij „de geschiedenis zal ingaan als een groot kunstenaar”. Wie haar werk ziet – Flood heeft tientallen schilderijen op haar website gezet – vraagt zich af waar haar gezag vandaan komt voor deze voorspelling. Haar leerling heeft met zijn intrigerende zelfportret onder de douche (narcistische worsteling? identiteitscrisis? morele reiniging?) al een aanzienlijk interessanter schilderij op zijn naam staan dan Flood ooit heeft geschilderd.

De tumultueuze ontwikkeling van zijn schilderwerk rechtvaardigt de hoop dat ‘43’ misschien de eerste prominente schilder-politicus wordt die de figuratie los zal laten. Hij is daar nog niet, maar wie in enkele maanden van hondjes naar complexe zelfbespiegelingen gaat, kan ver komen. Zijn voorgangers weigerden dat. Al die mannen van macht schilderden figuratief, soms vlot en een snufje impressionistisch, maar onmiskenbaar gericht op werkelijkheidsweergave. Ook hun opvattingen over abstracte kunst lagen dicht bij elkaar. Moderne kunst, zei Eisenhower, is als „een kapotte, platgewalste T-Ford overgoten met verf”.