‘Het beeld is de baas’

In een atelier in de Vlaamse stad Ronse werkt de Nederlandse kunstenaar Mark Manders aan zijn inzending voor de Biënnale van Venetië. ‘Een kunstwerk is bij mij nooit definitief af.’

Lorenzo Benedetti (links), curator van het Nederlandse biënnalepaviljoen en kunstenaar Mark Manders in het atelier in Ronse, België Foto An Nelissen

Met een beetje fantasie zie je het voor je: hoe de sculpturen die nu nog stof staan te vergaren in het immense atelier van kunstenaar Mark Manders (1968) straks opgepoetst en wel de ogen van duizenden bezoekers op zich gericht zullen krijgen op de Biënnale van Venetië. Nu staan ze in de negentiende-eeuwse textielfabriek nog anoniem opgesteld tussen oude meubels, dozen, werkbanken en cementmolens. Maar vanaf 1 juni zullen ze mooi uitgelicht en uitgelijnd te zien zijn op de granieten vloer van het Nederlandse paviljoen.

In Manders’ atelier zijn de contouren van het door Rietveld ontworpen paviljoen grofweg geschetst met wat oude planken. Lorenzo Benedetti (1972), de curator die verantwoordelijk is voor de Nederlandse inzending op de biënnale, betreedt het virtuele paviljoen door voorzichtig over een dun latje heen te stappen. „Kijk, hier komt het publiek straks binnen”, zegt hij. „En dat”, hij wijst naar een plastic kamerscherm waar een rij houten balken in een wankel evenwicht tegenaan leunt, „is dan het eerste wat je ziet.”

Het atelier van Mark Manders bevindt zich in Ronse, een stadje ten zuiden van Gent, op de grens van Vlaanderen en Wallonië. Een plek ver weg van de hectiek van de kunstwereld, met een grote ijzeren poort die het terrein afscheidt van de buitenwereld. Vijf jaar geleden is de kunstenaar er neergestreken, heeft hij het vroegere kantoor strak ingericht tot woonhuis en is hij gaan werken in de oude weverij. De meeste van zijn beeldhouwwerken staan verspreid in de reusachtige fabriekshal die het ‘zomeratelier’ wordt genoemd, omdat het er niet warm te stoken is. De laatste maanden is er door Manders vooral rondom de kachel in het veel kleinere ‘winteratelier’ gewerkt. De sculpturen voor de biënnale zijn zo goed als af. Eind deze maand worden ze ingepakt, begin april is het transport naar Venetië.

Dat Manders dit jaar Nederland mag vertegenwoordigen, weet hij pas sinds september. Een half jaar geleden werden hij en Benedetti (directeur van De Vleeshal in Middelburg) uit vier koppels van curatoren en kunstenaars door een jury van het Mondriaan Fonds uitverkoren voor de prestigieuze tentoonstelling. In een pitch van drie kwartier hadden ze de jury moeten vertellen hoe ze het Rietveldpaviljoen zouden inrichten. Als enigen legden ze in hun presentatie een verband met het honderdjarige bestaan van het Nederlands paviljoen in Venetië en het zestigjarig jubileum van het Rietveldpaviljoen. „Onze insteek is een dialoog tussen Manders en Rietveld”, aldus Benedetti.

Op het eerste gezicht lijkt dat geen voor de hand liggende combinatie – het koele modernisme van Rietveld en de raadselachtige poëzie van Manders. Sinds 1986 werkt Manders aan zijn levenswerk Zelfportret als gebouw, een imaginair ‘huis’ waarin de kunstenaar zijn gedachten onderbrengt. Al zijn sculpturen en tentoonstellingen zijn uitwerkingen van de beelden die hij in zijn hoofd van deze fictieve ruimtes heeft. Maar, zegt Benedetti, het werk van Manders mag dan een enigma zijn, het heeft wel degelijk een logica. „Alles wat hij doet is rationeel, het klopt. Al zijn afwijkingen in materiaalgebruik, in vorm, in afmetingen, in details, zijn beredeneerd. Dat is de link met Rietveld. Ook Manders is een kunstenaar die denkt als architect. Het draait bij hem om de relatie tussen voorwerpen en omgeving.”

Onbekend in eigen land

Eigenlijk is het vreemd dat Manders nu pas de eer krijgt om Nederland in Venetië te vertegenwoordigen. Al in 2001 mocht hij zijn werk laten zien op de hoofdtentoonstelling van de biënnale. „Mark Manders betovert met een mysterieus stilleven gemaakt in kostbaar steen”, schreef de toenmalige curator Harald Szeemann destijds in de catalogus. Een jaar later nam de kunstenaar deel aan de Documenta in Kassel. Sinds die tijd is zijn werk nauwelijks meer in Nederland getoond, zijn laatste solotentoonstelling was in 2002 in Museum Kröller-Müller. Manders won nog wel in 2010 de Heineken Prijs, maar wie zijn kunstwerken wilde zien, moest afreizen naar musea in Dallas, New York, Minneapolis, Houston, Aspen, Los Angeles, Mexico City of Dublin.

Manders weet ook niet waar dat gebrek aan erkenning in eigen land vandaan komt. „Ik vind het niet zo’n probleem. Er zijn genoeg kunstenaars die veel in Nederland mogen exposeren, maar nooit daarbuiten. Dan heb ik dit liever.” Het grappige is, vertelt Benedetti, dat veel Nederlanders denken dat Manders een Belg is. Niet alleen woont hij in België en werkt hij al jaren samen met de Antwerpse galerie Zeno X, hij spreekt bovendien met een licht Vlaamse tongval.

Is Manders er al uit welke kunstwerken meegaan naar Venetië? „Ik denk het wel, maar het is nooit helemaal zeker. Een kunstwerk is bij mij nooit definitief af.” De kunstenaar blijft vaak jarenlang aan zijn beelden doorwerken. Eén keer heeft hij zelfs een werk teruggekocht van een verzamelaar, omdat hij er nog iets aan wilde veranderen. „Ik heb hem toen wel een groter werk verkocht”, grijnst hij. Elk kunstwerk heeft zo zijn eigen regels. Manders: „Het beeld is uiteindelijk de baas.”

In zijn atelier staan tal van kunstwerken waaraan hij al in de jaren negentig is begonnen. Benedetti wijst op een hond die op de grond ligt. „Die is uit 1992. Maar hij ziet eruit alsof hij net gemaakt is. En je denkt dat het verse klei is. Maar voel maar. Het is brons. Marks beelden zien er vaak uit alsof ze nog maar net het atelier hebben verlaten. Alsof de kunstenaar net vertrokken is.”

In de fabriekshal hebben de werken de tijd om te rijpen. Ze groeien traag. Net zo lang tot ‘de klik’ er is en ze gereed zijn om de wijde wereld in te gaan. Allemaal dragen ze een bepaalde tijdloosheid met zich mee – het is moeilijk te zien wanneer ze precies gemaakt zijn. Zijn beelden hebben de archaïsche statigheid van oud-Griekse kourossen of het oer-uiterlijk van de Venus van Willendorf. Maar een halslijn kan dan opeens weer herinneren aan een Madonna van Piero della Francesca uit de vroege Italiaanse Renaissance, een glimlach aan een pre-Columbiaans beeldje. En de in elkaar gekrompen honden roepen associaties op met hun versteende soortgenoten uit Pompeii.

„Ik voel me vaak een soort tijdreiziger”, zegt Manders in zijn vorig jaar verschenen Reference Book. „De beelden die ik maak, hadden honderden of duizenden jaren geleden gemaakt moeten zijn.” Of aan het begin van de twintigste eeuw, zoals het werk Obtrusive Head, een vrouwenhoofd dat geklemd is tussen verschillende houten planken – als een boek tussen boekensteunen. „Dat heb ik begin 2010 gemaakt. Maar het had eigenlijk in 1920 gemaakt moeten zijn, alleen was ik toen nog niet geboren. Het vult een klein gat in de kunstgeschiedenis.”

Benedetti: „Mark wil geen specifieke tijd of plaats verbeelden. Hij wil een ‘supermoment’ creëren dat is samengesteld uit verschillende tijden en culturen. Hij is een echte geglobaliseerde kunstenaar.” Zelf omschrijft de kunstenaar zijn werkproces als „een explosie in slowmotion”. De uitwerking van alle beelden in zijn hoofd is al bijna dertig jaar lang in volle gang, als een almaar uitdijende oerknal.

„Tijd is voor Mark ook een materiaal”, zegt Benedetti. Er zit veel tijd tussen het moment dat het idee is gerijpt in het hoofd van de kunstenaar en het moment dat het wordt uitgevoerd. Maar ook het maken zelf is tijdrovend. Manders maakt bij voorkeur al het materiaal zelf. „Tot de klinknagels of theezakjes aan toe. Daar gaat veel tijd in zitten.”

Absurde krantenkoppen

Op de vloer van het atelier liggen her en der oude kranten. Althans, zo lijkt het. Echte kranten zijn het niet. Manders maakt ze zelf en laat ze drukken door zijn eigen uitgeverij Roma Publications . Een deel ervan zal in Venetië gebruikt worden om de ramen van het Rietveld-paviljoen mee af te plakken. De teksten zijn willekeurig samengesteld uit alle Engelse woorden die Manders heeft verzameld.. Het leidt tot rare koppen als Shocking Crosswise nostling midwife of Girlfriend spreadsheets Hachured overdubbed vaccinates. „Het zijn woorden, dus je kunt ze wel lezen”, aldus Benedetti. „Alleen staat er niets zinnigs.” Manders vertelt dat hij ze zelf is gaan maken omdat hij kranten nodig had voor papier-maché. „En ik wil niet dat zichtbaar is van wanneer die kranten zijn, want dan kun je het werk dateren.”

Naast de oude kranten liggen balpennen verstrooid over de grond. Ook die liggen daar niet toevallig, ze kunnen nog een kunstwerk worden. In de chaos die in het atelier heerst, is niet altijd te onderscheiden wat onderdeel is van een installatie en wat niet. Benedetti wijst op een kunststoffles die een afwijkende maat heeft. „Door Mark gemaakt en dus een kunstwerk.” Even verderop ligt een lege fles terpentine. Gewoon afval.

Alles in deze kunstfabriek, hoe rommelig ook, heeft een functie, een bepaalde logica. Manders: „Sommige objecten zijn in het atelier heel nuttig omdat ze weer andere beelden genereren.” De beelden stammen van elkaar af, zijn familie van elkaar. Zo is het meesterstuk dat straks in Venetië getoond zal worden een afgeleide van Obtrusive Head uit 2010, maar dan vele malen groter. Het spektakelstuk staat nu nog in het winteratelier. Het is zo groot dat de muur rond de deur van de hal uitgebikt moet worden om het er doorheen te krijgen. „Het past precies door de deur van het Nederlandse paviljoen”, zegt Benedetti. „Er is nog net een centimetertje speling.”

Het beeld oogt massief en lijkt niet te tillen. Maar dat is schijn. De reusachtige houten planken, aan elkaar gezet met lijmklemmen, blijken niet van echt hout te zijn maar van epoxy of polyester. Zelf gespoten, niet van echt te onderscheiden. „Zulke dikke bomen bestaan niet eens”, weet Benedetti. Ook zitten er twee schilderijen tussen het hout geperst. „Landschappen, door de kunstenaar zelf geschilderd. Mark is van mening dat iedere kunstenaar ten minste twee schilderijen gemaakt moet hebben.”

Manders hoopt dat zijn werken zich in het Nederlandse paviljoen zullen thuisvoelen. „Ik zie een tentoonstelling als een muziekstuk”, zegt hij. „De werken gaan een dialoog aan met elkaar. Het zijn tonen die zich tot elkaar verhouden als een akkoord. Als ze samen spelen, kan er iets heel muzikaals ontstaan.” Dezelfde werken kunnen in een andere ruimte plots een heel andere sfeer oproepen. „Omdat de akoestiek verschilt, moet je andere composities maken.”

Om dat te onderstrepen wil Manders voor vertrek graag nog een video laten zien, opgenomen tijdens de locatievoorstelling Track in Gent, afgelopen zomer. Een verlopen figuur loopt door een verlaten appartement in een verpleeginrichting, dat Manders heeft mogen inrichten. Zijn beelden liggen er verstild in de tijd bij, alsof ze na een ramp plots verlaten zijn. De junk loopt langs de kunstwerken, bestudeert ze en streelt ze zacht. „Zo mooi, zo teer”, zegt hij over de geboetseerde vrouwenhoofden. Hij knielt bij twee liggende hondenbeelden. „Het doet me zo denken aan de dood”, zegt hij. „De dokter geeft mij ook nog maar twee jaar.”

De film maakt nog steeds veel indruk op hem, vertelt Manders. „Ik weet nooit hoe mijn werk binnenkomt bij mensen. Ik maak een tentoonstelling en ga dan snel terug naar mijn atelier hier om de werken voor mijn volgende tentoonstelling te maken. Dat zal in Venetië niet anders zijn.”

De Biënnale van Venetië vindt plaats van 1 juni t/m 24 nov. Inl: labiennale.org/en/art