Dierbare wezens

Niet elke schrijver van fictie is een goede columnist, niet elke columnist is een schrijver van goede fictie. Rascha Peper was het beide. Ik las haar bijdragen op de Achterpagina altijd met groot plezier. Ze zijn gebundeld in Stadse affaires (2006) en, een half jaar voor haar dood, Fantoompoezen.

Ze beschreef op luchtige toon het dagelijks leven in haar nabije omgeving, nooit opgelegd humoristisch, maar met ingehouden ironie en zelfrelativering. Ik weet niet of ze veel verstand had van dieren, maar ze kon er wel goed over schrijven. Die neukende stadseekhoorns van New York! Als ik ze weer eens zie, zal ik onherroepelijk aan het stukje Groepsseks onder de airco moeten denken.

De eekhoorns hadden onder haar airco op de buiten-vensterbank een liefdesnestje gebouwd. Het was er droog en gezellig, de eekhoorns bleken een voorkeur te hebben voor seks met vier deelnemers. „Het is één kluwen van kronkelend bont, staarten, snuiten, zwarte kraaloogjes, en het onuitstaanbare is: hoe een copulerend eekhoornpaartje eruitziet, weet ik nog steeds niet, want er is geen wijs uit te worden, het flitst allemaal razendsnel om elkaar heen.”

Ze schreef regelmatig over haar katten, met grote genegenheid, zonder in zoetelijkheden en koketterieën te vervallen. De kat is bij haar niet per se aaibaar, het kan ook een heerszuchtig of angstig wezen zijn, voortdurend op zijn hoede. In Moeder en zoon zijn de katten elkaars tegenpolen. De zoon is een bon-vivant, de moeder een depressieve zonderling met ‘stofzuigerhysterie’ en ‘mannenhaat (ze is nog lesbisch ook)’. „Het leven is wat je ervan maakt, ook bij katten”, sluit de schrijfster af.

Schrijnend mooi is haar stukje Fantoompoezen uit de gelijknamige bundel. Ze bezat ooit twee jonge Blauwe Russen die na acht maanden stierven aan leukemie, besmet door haar rooie kater Flip, die zelf ongedeerd bleef.

Ze kan die twee speelse, intelligente katjes maar niet vergeten. „Soms, als ik een van de andere katten binnenlaat, vang ik buiten een glimp van ze op – aan het spelen en nog geen zin om binnen te komen. Dan duurt het een fractie van een seconde voor het tot me doordringt dat ze nooit meer zullen binnenkomen. Het zijn fantoomkatjes geworden, kleine, altijd onvolgroeid blijvende, brutale schichtjes.”

Af en toe doemen in haar columns ook de twee mensen op die de dieren in dierbaarheid nog moeten hebben overtroffen: haar zoon en haar man. De zoon is een jonge filmmaker met wie ze onhandig skypt als hij elders in de wereld zijn werk doet. „Sinds mijn troetelkind (hij leest dit toch niet) het huis uit is, lijd ik aan het lege-nest-syndroom, zonder betrokkene (...) daarvan deelgenoot te maken.”

Tegen de Taiwanese vader van zijn vriendin bekent ze: „I do miss my son. But he doesn’t seem to miss us.” Hij knikt. „That’s good”, zegt hij. „That’s how it has to be. Parents miss their children. Children don’t miss their parents. When it’s the other way around, something is wrong.”

Haar man, een diplomaat, blijft op de achtergrond. We leren wel dat hij ondernemender, energieker en reislustiger is dan zij, de honkvaste. „De uitersten trekken elkaar aan.” Ze vergezelt hem soms naar recepties waar ze last krijgt van ‘receptiedoofheid’. Ze legt het woord niet uit, maar ik vermoed dat ze doelt op het onvermogen of de onwil om het gebazel bij zulke gelegenheden te verstaan.

Het was haar vak niet. Dat was schrijven.