De verleiding om klanten te belazeren

Soms ontdek ik iets in de City en denk: hoe is het toch mogelijk dat ik 41 moest worden om dit te doorzien? Neem het principe van privatisering en liberalisering, letterlijk vrijmaking. De markt kan het allemaal beter dan de overheid, zeiden de afgelopen jaren neoliberale en ook opvallend veel sociaal-democratische politici. Ik las dat jarenlang en dacht, tja, dat zal dan wel.

Nu pas snap ik het probleem met die redenering. Het punt is niet dat de markt dingen niet veel beter kan. Het probleem is dat de markt zonder toezicht razendsnel ‘consolideert’ tot een kartel. Zoals de Amerikaanse wijsgeer Yogi Berra al zei: in theorie is er geen verschil tussen theorie en praktijk. In de praktijk wel.

Kijk eens om je heen! Hoeveel oliemaatschappijen zijn er, farmaceutische giganten, spelers in de voedselindustrie? Hoeveel mobiele telefoonfabrikanten beheersen de ‘markt’? (Op het internet heb je zelfs allemaal monopolisten.)

De theorie van de ‘vrije markt’ legitimeert gigantische beloningen aan de top, terwijl deze in de praktijk bestaat uit kartels die de markt verdelen.

Kan het überhaupt anders? Neem de financiële sector. Een mondiale zakenbank opzetten vergt gigantische investeringen en kapitaalbuffers. Multinationals willen dat je in elk land opereert waar zij ook zitten. De IT-systemen op handelsvloeren kosten extreem veel geld, zowel qua aanschaf als qua onderhoud. Dan heb je, paradox der paradoxen, het probleem dat de almaar gedetailleerdere regulering enorme barrières opwerpt voor nieuwe banken. Al die regels moeten worden ingevoerd en nageleefd door de interne toezichthouders van compliance en die verdienen zelf geen cent.

Banken zijn ook brands, vanuit het idee dat het zakenleven graag werkt met bekende namen, als reputatieverzekering: nobody ever got fired for hiring IBM / Goldman Sachs. Als jij als manager bij een groot bedrijf in zee gaat met een onbekende nieuwe bank en het gaat mis, dan hebben je concurrenten bij de volgende promotieronde een stok om je mee te slaan. Had je de duurste gevestigde speler ingehuurd, dan was je reputatie veilig.

Het is een mooi idee waar ik mij op deze plaats graag sterk voor maak: er moet weer marktwerking komen aan de top van de financiële sector. Maar een vrije markt kan niet zonder zogeheten ‘lage barrières voor toetreding’, zodat nieuwkomers incompetente en frauduleuze spelers kunnen verdringen. En in veel sectoren zijn die barrières juist torenhoog.

Eerder deze maand sprak ik een jongeman die een tijd bij een kredietbeoordelaar werkte op de afdeling infrastructuur en energie. Hij vertelde dat zijn collega’s stuk voor stuk tegen privatisering van de energie- en watersector in hun land waren. De redenering: een water- of elektriciteitsbedrijf beginnen vergt enorme investeringen. Je krijgt dus maar een handvol aanbieders en die gaan niet concurreren, maar verdelen de markt onderling. De verleiding hun klanten te belazeren wordt enorm, want die klanten kunnen toch nergens heen – de andere aanbieders belazeren ze ook. Intussen „gaat” de top voor de eigen bonus, oftewel zo hoog mogelijke winst op de korte termijn.

Toch wel raar. Alle collega’s van mijn jongeman bij de kredietbeoordelaar zijn volgens hem hardcore neoliberaal. En toch tegen privatisering, want het werkt niet.

Ik heb de afgelopen week proberen na te denken waarom journalisten, columnisten en politici hier niet veel meer op hameren. Hypothese: het is erg moeilijk om een kartel als problematisch te zien wanneer je er zelf ook in zit. Hoeveel kwaliteitskranten zijn er nu? Hoeveel hoogwaardige nieuws- en achtergrondprogramma’s op tv en radio? En hoeveel grote politieke partijen?

De auteur doet in deze column elke donderdag verslag van het leven in de financiële wereld in Londen. Lees meer over de City op: guardian.co.uk/bankingblog.