Beroepsmatig doden

Euthanasie staat lijnrecht tegenover alles waar Roel Amons als huisarts in gelooft. Hij wil het leven begeleiden, niet beëindigen.

Mijn eerste euthanasie pleegde ik in 1992 op een hiv-geïnfecteerde man. Ik kwam op de afgesproken tijd aan bij zijn huisje, dat vol zat met vrienden. Er werd een glas wijn geheven op zijn afscheid. Toen het tijdstip eenmaal daar was, zwaaide hij met gepast gevoel voor theater iedereen toe, sloot de gordijntjes die zijn slaapvertrek scheidde van zijn woonkamer en nam mij en de verpleegkundige mee. De capsules met de coma-inductor werden opengemaakt en in een bakje vla gedaan. Terwijl hij in het bakje keek en de eerste hap nam zei hij: „Het is bizar.” Ik herhaalde bevestigend zijn woorden. Later vond ik jammer hem niet gevraagd te hebben, wat hij zo bizar vond. Maar het ligt voor de hand dat hij besefte hoe, door iets te eten wat normaal gesproken de bedoeling heeft iemands leven in stand te houden, op dat moment zijn leven zou gaan beëindigen. Toen hij de vla op had, dronk hij het euthanaticum sloksgewijs op. Voor mijn haastgevoel te langzaam: straks slaapt hij in, terwijl hij de vereiste hoeveelheid maar voor de helft op heeft. Maar het ging goed. Hij had het op tijd op. Hij ging liggen, binnen enkele minuten sliep hij in en na 15 minuten overleed hij met zijn benen gekruist bij zijn enkels.

Terugkijkend op de vijftien keer dat ik euthanasie heb uitgevoerd, heb ik een vage intuïtie dat er iets niet klopt. Tijdens het waarschijnlijk meest geruchtmakende proces van de vorige eeuw dat in Jeruzalem plaats vond, voerde oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann ter verdediging aan dat hij altijd slechts zijn plicht had gedaan, net als alle andere Duitsers. Eichmann beriep zich op de in Duitsland geaccepteerde nationaal-socialistische praktijk van zijn beroepsmatig handelen. Om mijzelf – huisarts te Den Haag – te vergelijken met deze massamoordenaar lijkt misplaatst. Toch heb ik met hem twee kenmerken gemeen. Ik dood soortgenoten en het valt onder mijn professioneel handelen. Dat gegeven – het professioneel doden van een medemens – staat lijnrecht tegenover alles waarin ik als medisch hulpverlener geloof.

Het doden is het onomkeerbaar einde maken aan iemands bestaan: zijn wil, zijn lijden, zijn emoties, zijn gedragingen, zijn persoonlijkheid, zijn heden en zijn toekomst. Zijn bestaan is als de cursor bij het schrijven van een tekst. De cursor knippert altijd, het is de plek in de tekst waar de actie plaatsvindt. De cursor wacht tot de volgende letter wordt getypt, hij wacht op de toekomst. Als ik euthanasie uitvoer, dan vernietig ik de cursor. Ik maak niet alleen een einde aan iemands lijden, maar ook aan zijn hele bestaan. Kun je dat van een ander vragen?

Mijn twijfels werden sterker bij de euthanasie van een vrouw, ruim boven de tachtig. Zij had meerdere aandoeningen die haar ernstig invalideerden. Zij kon nog lang zelfstandig op stap, wat voor haar erg belangrijk was. Toen zij echt niet meer uit huis kon was het moment aangebroken voor haar dat zij een punt achter haar leven wilde zetten. De SCEN-arts (voor de wettelijk voorgeschreven second opinion) gaf groen licht. Euthanasie vond plaats in het bijzijn van haar dochter en zoon. De twee twintig-milliliter spuiten met respectievelijk de coma-inductor en het euthanaticum lagen klaar. Nadat de kinderen afscheid hadden genomen, verbond ik de spuit met het narcoticum aan het infuussysteem. De patiënt had haar ogen gesloten. Met kracht bracht ik de vloeistof in de spuit in beweging, doch de kolom werd maar langzaam kleiner. Opeens deed de patiënt haar ogen wijd open en zij opende ook haar mond, alsof ze schrok en nog iets wilde zeggen. Het volgende moment verbleekte zij en haar gelaat verstarde in deze mimiek met opengesperde ogen. Haar gelaat, dat zojuist een emotie leek uit te drukken, was leeg geworden. Mijn blik was genageld aan haar stilgevallen aangezicht. Er ging een schok door mij heen. Ik werd gewaar hoe naast mij haar dochter het gezicht afwendde. Niets werd gezegd. Hoewel onnodig, heb ik de tweede spuit met het euthanaticum daarna nog toegediend en vervolgens haar oogleden met mijn wijsvinger gesloten. Het bestaan van de vrouw, die mij enkele minuten tevoren nog een prachtig beschilderd houten doosje had gegeven als dank, was gestopt en mijn handeling was de onmiddellijke oorzaak.

Als respect de basis is van de relatie tussen patiënt en arts, wat is dan hetgene wat ik respecteer? Respecteer ik iemands leven, zijn bestaan, of respecteer ik zijn wil? Als ik primair zijn wil als ultieme uiting respecteer, dan heeft euthanasie een plaats. Als ik echter voor het eerste kies, hoort euthanasie dan bij mijn taak? Indien ik in de terminale fase een patiënt help om het ondraaglijke draagbaar te maken en hem daarin respecteer, dan elimineert dat euthanasie. Mijn handelen is in dat geval gericht om de patiënt te ondersteunen, om bijvoorbeeld de gevreesde nacht door te komen. Het doktershandelen is altijd op de toekomst gericht, op het begeleiden van het leven, tot de natuurlijke dood intreedt.

Een van de voorwaarden om euthanasie toe te passen, is de ondraaglijkheid van iemands lijden. Het is niet voldoende dat de patiënt dat vindt, de dokter moet het eens zijn met de patiënt en het lijden ook zo betitelen. Maar ondraaglijkheid is een problematische notie voor de dokter. De ene persoon met een bepaalde terminale ziekte en pijn heeft geen euthanasiewens, terwijl de ander onder dezelfde omstandigheden dat wel heeft. Lijdensdruk speelt een rol, maar is niet bepalend: het lijden kan immens zijn, maar toch blijft de patiënt het dragen en is het dus draagbaar. Dat betekent dat er geen norm, geen standaard is, behalve de patiënt zelf. Je raakt verstrikt in een tautologie. Hoe moet de dokter doordringen in het ondraaglijke lijden van een patiënt? Door maximaal inleven in het lijden van de patiënt. Maar als ik dat doe, dan ben ik het altijd met de patiënt eens. Een patiënt die euthanasie wil, vindt zijn leven per definitie ondraaglijk. Deze notie voegt niets toe. In feite kunnen we deze eis laten vallen in de regelgeving.

De vergelijking van mijzelf met Eichmann is natuurlijk bizar. Maar dat is niet alleen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan genocide en ik niet. Het is ook bizar omdat hij zich tijdens het proces beriep op het feit dat hij altijd zijn plicht had gedaan, net als andere Duitsers. Misschien ben ik naar mijn zin te veel op Eichmann gaan lijken. Ik ben volgens de wet niet verplicht om euthanasie toe te passen en er wordt wel gezegd dat het geen recht is van een patiënt. Maar in feite is euthanasie wél een recht van een patiënt, zo lang hij maar aan de voorwaarden voldoet. Dan is de arts die euthanasie weigert namelijk verplicht om een andere dokter te zoeken, die de euthanasie wel voltrekt. In feite is het een recht van een patiënt. En het recht van de één schept in dit geval een verplichting voor de ander.

Euthanasie is een bizar randgebied van de geneeskunde. De dokter wordt gevraagd zijn professionele roeping als begeleider van het leven op te offeren voor een particuliere wens van de patiënt. Eigenlijk valt euthanasie buiten het vraagbare aan een ander.