Weten Denken Doen (Hopen?)

Volgens ombudsman Sjoerd de Jong houdt nrc.next stug vast aan het idee: kennis is feiten checken, wat je ervan moet denken, zien we later wel

Filosofen houden van indelingen, net als ambtenaren: ‘Kennis’, ‘geloof’, ‘overtuiging’, ‘verlangen’, ‘hoop’ – allemaal begrippen die smeken om een helder onderscheid. Maar dat valt vaak nog niet mee.

Volgens Immanuel Kant (1724-1804), de beroemdste filosoof aller tijden, had de filosofie vier helder onderscheiden kernvragen: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Wie is de mens?

Let op de werkwoorden: je ‘kunt’ iets weten (dat gaat dus om de mogelijkheid van kennis), je ‘moet’ iets doen (dat gaat om morele plichten of voorschriften) en je ‘mag’ iets hopen (dat betreft de status van heilsverwachtingen). De vraag naar de mens laten we nu maar even zitten. Kants indeling werd klassiek, en wordt nog steeds wel gebruikt voor inleidingen in de filosofie.

nrc.next gebruikt nu ook een nieuwe indeling. De krant is gesplitst in segmenten ‘weten’, ‘denken’ en ‘doen’. Ja, dat ligt natuurlijk op het eerste gezicht ook nogal voor de hand. Ga maar na: eerst hoor je iets (en dan ‘weet’ je het), dan ga je erover nadenken, en pas dan doe je iets.

Het is dus een soort journalistieke antropologie. Maar is die indeling eigenlijk filosofisch te rechtvaardigen? In welke wijsgerige traditie plaatst de krant zich hiermee?

Wat allereerst opvalt, is dat next ‘denken’ onderscheidt van ‘weten’, en erna plaatst. Eerst weet je blijkbaar iets, dan ga je erover denken.

Dat is de klassieke inductieve methode, zoals de Engelse filosoof Francis Bacon (1561-1626) die uitdroeg. Dat was de basis van het filosofische empirisme, dat later met Locke en Hume enorme invloed kreeg, tot op de dag van vandaag. Al onze kennis van de buitenwereld komt via de zintuigen, uit de ervaring. De hersenspinsels van het rationalisme (zoals dat van Descartes en Leibniz), dat puur door na te denken kennis van de werkelijkheid denkt te kunnen opdoen, leveren volgens hen geen kennis op. Ja, alleen hersenspinsels.

Kant probeerde die twee benaderingen in één klap achterhaald te maken. Hij was next, dacht hij.

Want ja, speculatief nadenken levert hersenschimmen op, dat zag hij ook wel. Aan de andere kant, kun je wel iets weten als je niet eerst weet wat je te weten kúnt komen, dus hoe ver onze kennis kan reiken?

Kants revolutionaire inzicht was dat de zintuigen waar het empirisme op wilde vertrouwen, en het verstand waar de rationalisten hoog van opgaven, samen de werkelijkheid vorm geven. De zintuigen leveren de content, het verstand de rationele schema’s (zoals: oorzaak en gevolg). Maar: niet pas nadát we iets hebben ervaren, maar om ervaring in het algemeen mogelijk te maken. Anders zit je met een blinde chaos aan indrukken.

Waarnemen, dat die ongeordende indrukken plaatst in tijd en ruimte, is dus volgens Kant dus eigenlijk al een vorm van denken.

Goed, dat was Kant. Zijn filosofie heeft vooral in het Duitse Idealisme, tot veel abstract gevlinder geleid, en misschien wil nrc.next liever vasthouden aan dat nuchtere empirisme uit de Britse traditie van Bacon en Hume: feiten en niets dan de feiten, en dan pas denken.

Toch is dat ook lastig. Want ook al zijn Kants opvattingen alweer het next van gisteren, dat betekent nog niet dat we zomaar terug kunnen naar een simpel onderscheid tussen de wereld out there en ons denken.

Integendeel, ook moderne filosofen die niet veel van Kant moeten hebben, spreken van een inbedding van onze kennis, de gesitueerdheid ervan in taal en cultuur, of in een gedeelde praktijk. Heidegger (1889-1976) noemde dat de ‘geworpenheid’ van de mens in de wereld, die voorafgaat aan zijn rationele verhouding ertoe. Eerst doen, dan denken. In zijn termen: het Zuhanden-sein van de dingen is fundamenteler dan hun Vorhanden-sein. Je gebruikt een hamer, voordat je hebt onderzocht hoe hij in elkaar steekt.

Nu is Heidegger zwaar omstreden, vooral om zijn enthousiaste engagement met de nazi’s in de jaren dertig (in zijn geval een kwestie van: eerst denken en dan doen, al had hij beter moeten weten).

Maar ook minder duistere denkers kwamen op dat spoor. Ludwig Wittgenstein (1889-1951) betoogde bijvoorbeeld, in zijn latere werk, dat kennis is ingebed in een ‘levensvorm’, een geheel van vaste overtuigingen die zelf géén kennis zijn. De betekenis van woorden ligt volgens hem in hun gebruik.

Wittgenstein voerde daar een fameuze polemiek over tegen een beroemde collega, die geloofde dat je allerlei alledaagse dingen wel degelijk heel zeker kunt weten. Zoals ik héél zeker weet dat dit mijn hand is (ik kijk er nu naar). Dat móét gewoon waar zijn, je hoeft er maar even over na te denken. Twijfelen zou absurd zijn, dus: de scepticus over kennis heeft ongelijk.

Klopt, zegt Wittgenstein, maar dat komt doordat hier ook helemaal geen sprake is van ‘kennis’. Aan kennis kun je altijd twijfelen: het is waar, maar het had ook niet waar kunnen zijn. Maar niemand, alleen een gek of iemand onder invloed van drugs of te veel Absolut vodka, zal betwijfelen of hij zijn eigen hand ziet, als hij hem voor zijn gezicht houdt. Zoiets is geen kennis, maar een uitgangspunt van ons denken, het ‘staat vast’.

Allerlei postmoderne denkers zijn met dat inzicht aan de haal gegaan, vaak met catastrofale gevolgen (zoals ‘wetenschap is ook maar een geloof’). Maar ook degelijke filosofen betwijfelen of het zo simpel is om te bepalen waar de grens ligt tussen ons denken en ‘de feiten’, en hoeveel invloed menselijke neigingen of disposities hebben in wat we ‘feiten’ noemen.

Zijn moraal (dus wat je moet ‘doen’) en kennis (wat je ‘weet’) bijvoorbeeld wel haarscherp te onderscheiden, zoals next doet?

Veel empiristen geloven dat morele beweringen zoals ‘moord is slecht’ niet waar of onwaar zijn, maar eerder menselijke voorkeuren of emoties uitdrukken zonder cognitieve inhoud (‘moord? bah!’).

Andere filosofen betogen juist dat morele uitspraken heel goed waar of onwaar kunnen zijn, en dus wel degelijk een vorm van kennis behelzen. Dat kun je al zien omdat feitelijke beweringen vaak ook waarderend zijn (neem: ‘het is mooi weer’ ) en morele uitspraken ook aanspraak maken op algemene waarheid (ik ‘vind’ moord niet slecht, ik denk dat het slecht ‘is’).

En next?

In al die filosofische opschudding lijkt next met die nieuwe indeling stug vast te willen houden aan een overzichtelijk Brits empirisme: kennis is het checken van feiten out there. Niet moeilijk doen. En wat je ervan moet denken, dat zien we later wel.

Op zichzelf logisch, voor een krant.

Maar toch een beetje gek, dat next ‘denken’ op die manier gelijkstelt aan doxa, opinie, het geven van een mening, en niet met episteme, zekere kennis. Ook empiristen zouden van dat ‘denken’ in next toch eerder ‘geloven’ maken.

En hoe zit het met ‘doen’?

Ook in dat opzicht is next filosofisch gesproken old school, door ‘doen’ achter in de rij te plaatsen. Eerst weten en denken, dan doen. Heel klassiek. Kant en Nietzsche zouden zo’n krant niet lezen, Marx (heel misschien) wel.

Hoewel? Houdt next zich wel aan haar eigen antropologie?

Want opmerkelijk genoeg staat de cover van next, de belangrijkste pagina, vaak in het teken van ‘doen’. Wat moet ik met mijn spaargeld doen? Moet ik die nieuwe, hippe bril opzetten? Ja, doe! En die uitleg staat dan op de pagina’s weten. Bovendien is er een regelmatige bijlage Carrière, ook iets wat je moet doen, pardon, maken.

Doen is dus toch ook bij next vaak primair, en een vorm van weten.

Ten slotte de derde Kantiaanse vraag: wat mag ik ‘hopen’?

Ja, hoop ontbreekt helaas in deze journalistieke antropologie, dus we moeten het afleiden uit weten, denken en doen. Dan mogen we in elk geval hopen dat de gecheckte feiten kloppen, bijvoorbeeld. Of dat over de meningen een beetje is nagedacht. Of dat die bril inderdaad het einde is, als we hem eenmaal hebben opgezet.

Of moeten we eerder hoop putten uit de reclamespotjes voor next? Dat next meer sex appeal heeft dan deodorant?

Ik hoop het niet.