Vindt u ook niet dat u de zaak belazert?

Goedkoop vermaak of controle van de macht? Journalisten over het nut van agressief interviewen, en het verschil tussen ruzie in de krant en op tv.

PowNews-verslaggever Rutger Castricum probeert Annemarie Jorritsma, burgemeester van Almere en VNG-voorzitter, te interviewen, 7 maart. Jorritsma weigert PowNews te spreken. Foto ANP/Martijn Beekman

„Ik vind ze respectloos”, zei burgemeester Jorritsma van Almere over nieuwsrubriek PowNews. Daarom was tv-verslaggever Rutger Castricum niet welkom op een bijeenkomst op het stadhuis van Almere. ‘Persbreidel!’ riep journalistenvereniging NVJ en Jorritsma nuanceerde haar beslissing.

Niet voor het eerst botste Castricum met een politicus; hij is berucht om zijn confronterende manier van interviewen. Die interviewstijl ligt een beetje moeilijk in Nederland. In ieder geval bij politici en andere machthebbers die er het mikpunt van zijn. ‘Zin en onzin van het confronterend interview’ is dan ook het onderwerp van het Grote InterviewGala, dat vanavond in de Amsterdamse schouwburg plaatsvindt. Sommige kijkers houden er niet van. Het zou van weinig respect getuigen, het zou te veel op treiteren lijken, meer gericht op het relletje dan op een goed vraaggesprek waar we iets wijzer van worden.

Je kunt het stijlmiddel echter ook gebruiken op een serieuze, integere manier: in een pittige ondervraging, met de journalist als controleur van de macht die mensen met invloed ter verantwoording roept. Zo ziet in ieder geval Sven Kockelmann het genre. De journalist heeft bij de KRO het programma Oog in oog, waarin hij confronterende interviews houdt: „De interviewer toetst in een duel of de machthebber ons geen verhaaltjes op de mouw spelt. Het confronterende interview is een zeer geschikt middel om de controlerende taak van de pers uit te voeren.”

EO-journalist Tijs van den Brink beaamt dit: „Zo’n interview heeft altijd zin omdat ik als interviewer een stem kan geven aan de onvrede van een bevolkingsdeel. Namens hen roep ik een politicus ter verantwoording. Vroeger dacht ik dat zo’n politicus na zo’n gesprek ook zijn beleid zou aanpassen, maar dat is niet zo.” Van den Brink wil bijvoorbeeld politici herinneren aan hun verkiezingsbeloftes. Zoals in een gesprek met premier Rutte, waarin Van den Brink hem ter verantwoording riep over de geldsteun aan Griekenland: „Hij had tijdens de verkiezingen beloofd om niet meer steun te geven. Namens zijn kiezers spreek ik hem daarop aan. Dan krijgt hij de kans om uit te leggen waarom hij dat gedaan heeft.”

Voor tv-maker Teun van de Keuken is confronterend interviewen geen na te streven genre: „Je hebt van die interviewers die beginnen met: ‘Vindt u ook niet dat u de zaak ongelooflijk heeft belazerd?’ Het zijn vaak wedstrijdjes tussen twee mannen. Daarin ben ik minder geïnteresseerd.” Toch maakt Van de Keuken programma’s als De slag om Nederland, waarin hij plaatselijke politici confronteert met de omstreden vruchten van hun beleid: „Je hebt mannen die in zo’n gesprek hun eigen graf graven, en dan gooi ik er graag nog een schepje bovenop. Maar dat is niet hoe ik het gesprek aanga. Ik kom niet om te confronteren, ik stel mijn vragen uit oprechte verbazing. Ik wil de werkelijke beweegredenen bovenkrijgen, en dan wil ik ook graag de niet valide argumenten ontmaskeren. Als een politicus zou zeggen: ‘Ik deed het voor persoonlijk gewin en ik zat fout’, dan zou hij mijn eeuwige respect verdienen. Alleen gebeurt dat nooit.”

Bij het harde interview dreigt het gevaar dat de vragen belangrijker worden dan de antwoorden. De journalist heeft zijn verhaal al bijna rond, en hoeft dit alleen nog aan de hoofdrolspeler voor te leggen. Volgens Kockelmann is dat niet zijn bedoeling: „Ik doe eerst mijn huiswerk goed. Ik heb al een beeld en ik toets of dat klopt. Daarbij ben ik natuurlijk ook benieuwd naar het antwoord, de geïnterviewde zit er niet alleen als schietschijf. Hij kan er ook sterker uitkomen, omdat hij zijn visie op de zaak overtuigend heeft kunnen brengen.” Als voorbeeld noemt hij een gesprek met Job Cohen, voormalig partijleider van de PvdA: „Hij lag onder vuur omdat hij het slecht deed op tv. Maar in Oog in oog werd hij juist met de minuut beter. Hij bleek het onder druk heel goed te doen.”

Het confronterende interview lijkt zich beter te lenen voor radio en televisie dan voor de geschreven pers. Als iemand boos wordt, of dichtslaat, kan dat leuke beelden opleveren, maar daar heb je op papier niets aan. Van de Keuken: „Het grote voordeel van televisie is dat je het draaien ziet, het wegkijken, het verstarrende lichaam.” Kockelmann: „Tv is puur en direct. Dat is spannend. Ik doe de gesprekken dan ook bij voorkeur live, of in ieder geval ongemonteerd.”

Voor de Britse of Amerikaanse pers is het confronterende interview vanzelfsprekender dan voor de Nederlandse. Denk aan Jeremy Paxman van Newsnight of Mike Wallace van 60 Minutes. Kockelmann: „Vroeger was de confronterende stijl ook in Nederland gebruikelijk. Denk aan Brandpunt, Jaap van Meekren, Karel van de Graaf, Ad Langebent, Ischa Meijer. Door de opkomst van infotainment in de jaren negentig en jaren nul is dit soort langere, inhoudelijke interviews uit zwang geraakt. het zou te saai zijn.” Maar een mooie ruzie is toch juist goed infotainment? „Natuurlijk is er ook een amuserende factor. Maar de inhoud moet voorop staan, niet de vorm.”

Teun van de Keuken: „Britten zijn beter in het mengen van de charme en het vileine. Nederlanders zijn bot óf charmant. En wij hebben een underdogcultuur. Als je er te hard ingaat is het gevaar dat de kijker denkt: ‘nou nou’, en de sympathie bij de geïnterviewde komt te liggen.”

Tijs van den Brink vindt dat niet relevant. „Je moet niet de journalistiek ingaan om sympathiek gevonden te worden. Ik wil geen onnodige irritatie opwekken, maar ik wil er ook niet bang voor zijn dat de kijkers denken: ‘wat een eikel’.”