Twee stipjes zijn eigenlijk genoeg

Het menselijk vermogen om emoties en verbanden te zien in enkele lijnen op een plat vlak, kent nauwelijks grenzen.

Animatie is overal. Elk jaar komen er tientallen animatiefilms uit in de bioscoop, waarbij de films van de bekende studio’s – Disney, Pixar, DreamWorks en Aardman – traditiegetrouw de meeste aandacht trekken. Veel kinderen kijken elke dag cartoons op televisie en horden volwassenen stemmen trouw af op The Simpsons of South Park. En dan is er nog internet, waar de korte animatiefilm in al zijn bonte verschijningsvormen hoogtijdagen viert.

Je kunt stellen dat lange stukken uit veel speelfilms ook animatie zijn, zeker in het geval van blockbusters met veel special effects. Die effecten worden meestal verzorgd door animatoren die geduldig achter hun computer werken aan het maken van geloofwaardige, fotorealistische werelden die naadloos passen bij de locatieopnames. Zo had viervoudig Oscarwinnaar Life of Pi ook makkelijk mee kunnen doen in de categorie beste animatie; heel weinig elementen uit die film zijn echt.

Animatie is al lang niet meer het domein van kinderen of voorbehouden aan Hollywood. Persepolis, over een jeugd in revolutionair Iran, en Waltz with Bashir, over de traumatische oorlogservaringen van een Israëlische soldaat, waren prestigieuze en prijswinnende films over uiterst serieuze onderwerpen.

In zijn boek Shadow of a Mouse stelt animatiespecialist Donald Crafton dat animatiefiguren niet onderdoen voor personages uit speelfilms, als het gaat om herkenbare karaktertrekken, complexe emoties en een psychologie die invoelbaar is. Iedereen die bijvoorbeeld de Toy Story-films of Up heeft gezien kan dat beamen. Hoewel het animatie betreft, trekt menig kijker toch zijn zakdoek tevoorschijn.

Bovendien kunnen animatiefiguren, net als echte acteurs, ook sterren worden, zoals Mickey Mouse, Donald Duck, Betty Boop, Popeye en Wallace en Gromit – het zijn geen lijnen op een vel papier maar echte persoonlijkheden.

Craftons boek gaat vooral in op de jaren dertig, het decennium waarin vooral Disney inzette op het creëren van animatiepersonages met wie het publiek kon meeleven. Animatie moest meer zijn dan grappige, slapstickachtige cartoons met eendimensionale karakters. Zijn animatoren kregen dan ook les over de acteeropvattingen van Stanislavski, die in de jaren vijftig tot ‘The Method’ zouden leiden, moesten modellen natekenen en bestudeerden hun eigen gezichtsuitdrukkingen.

Ook vond Walt Disney dat zijn levensechte figuren in realistische ruimtes moesten rondlopen. Ruimtes die voldeden aan de klassieke wetten van het perspectief, met verdwijnpunten, clair obscur-effecten en voor- en achtergronden. Een opvatting die nog steeds opgeld doet in animatie. Zo reisden de makers van Up de wereld rond met hun schetsboeken en camera’s om er eigenhandig de locaties te bekijken die zouden figureren in hun tekeningen. Een vreemde paradox van het genre: alles is mogelijk maar toch is realisme meestal de norm.

Uiteindelijk is het de toeschouwer die animatie leven inblaast en emoties projecteert op alles wat hij ziet. Experimenten tonen aan dat het zien van twee stipjes op een kleurloos vlak al ons vermogen aanspreekt verbanden te leggen en van iets minimaals een verhaal te maken. Dit vermogen transformeert zelfs de meest abstracte animatie toch weer tot een verhaal waaruit gevoel spreekt. We kunnen het nou eenmaal niet helpen.

Donald Crafton houdt op 22 maart tijdens het HAFF een lezing over zijn boek Shadow of a Mouse: Performance, Belief and World-Making in Animation. Ook stelde Crafton twee programma’s samen. Inl: haff.nl