Speculeer niet met geld in het onderwijs

Bevrijd het onderwijs van ‘maatschappelijke ondernemers’. De school is geen belegging, meent Ton van Haperen.

Illustratie Angel Boligan

Een economische crisis is slecht voor leraren. De overheid ziet haar tekorten oplopen, waarna de salarissen vanzelf aan de beurt komen. Zo gaat het in de hele wereld. Maar de Nederlandse leraar krijgt nog een tik. Een die alleen hier wordt uitgedeeld – door de schoolbesturen. Die tellen hun geld en dat is op. Schoolbestuurders vertonen namelijk al twintig jaar hetzelfde gedrag als risico zoekende bankiers. En dus wordt er nu terugbetaald. Met rente. Leraren gaan meer lessen geven. Leerlingen vullen de klaslokalen tot aan de rand. En er vallen ontslagen. Vooral onder de jongere leraren. Het onderwijs beleeft zijn eigen kredietcrisis.

Amarantis in Amsterdam en Zadkine in Rotterdam, de redding van deze schoolbesturen kreeg de nodige media-aandacht. Begrijpelijk, want een faillissement van een schoolbestuur is als dat van banken. Maatschappelijk onaanvaardbaar. Brave burgers verliezen hun spaargeld. Onschuldige kinderen kunnen hun leerplicht niet vervullen. Toch is de dreiging aanwezig. Voortdurend. Zowel voor banken als voor schoolbesturen. En dat is geen toeval.

Ga mee terug naar 1929. De beurs op Wall Street crasht, banken gaan failliet, spaargelden gaan op in rook. De Amerikaanse politiek zegt; dit nooit meer en kondigt in 1933 The Glass-Steagall Act af. Deze wet regelt een strikte scheiding tussen banken en beleggers. Wall Street kan vanaf dan in de zee zakken, de rekeninghouder merkt daar niks van. Zijn geld mag namelijk niet gebruikt worden voor riskante beleggingen. The Glass-Steagall Act financiert de naoorlogse wederopbouw en de explosieve welvaartsgroei van de jaren zestig. Maar in de jaren zeventig ontmoet de westerse economie zijn grens. Staatsschulden en rentes zijn torenhoog. Overheden liggen aan de ketting. De markt komt terug. Hebzucht is goed. Regels moeten weg. President Clinton verklaart in de jaren negentig The Glass Steagall Act tot bedorven waar. Speculeren en bankieren lopen als vanouds door elkaar. En dus herhaalt 1929 zich met de kredietcrisis van 2008. Weer betaalt de burger de rekening.

De parallel met het onderwijs is opvallend. Eerst is daar een strikte scheiding tussen beheer en onderwijs. De overheid regelt de salarissen en de gebouwen. Leraren doen de schoolorganisatie. Deze variant van The Glass-Steagall Act is succesvol. Maar dan raakt het geld op. In de jaren tachtig dalen de salarissen.

Even later verdwijnt de scheiding tussen beheer en onderwijs. De besturen nemen het budget, de gebouwen en de kwaliteit voor hun rekening. De bestuurder gaat zich maatschappelijk ondernemer noemen. De bedragen die door zijn vingers gaan zijn enorm. Middelbare scholen kosten jaarlijks tegen de acht miljard euro. De reserves liggen tussen de anderhalf en twee miljard. Een spaarrekening is waardeverlies. Beleggen ligt voor de hand. Doe als pensioenfondsen. De inleg van de premieplichtige financiert slechts een deel van de uitkering. De rest komt uit rendementen op beleggingen. Toekomstige rendementen, stelt de maatschappelijke ondernemer, staan voor mooi onderwijs.

In 2000 zegt de toenmalige minister Hermans (VVD) één keer ‘ho, stop’. Schoolbesturen mogen geen aandelen kopen. Hermans, bedankt. De AEX ligt dan op 750. Nu is die minder dan de helft. Maar het helpt niks. Het geld stroomt naar het onroerend goed en daaraan gerelateerde financiële producten. Voor handige vastgoedjongens zijn onderwijsbestuurders prettige prooien. De verliezen zijn enorm.

De kredietcrisis leert: risicovol ondernemen met maatschappelijke kernactiviteiten treft de gewone burger in het hart. Dat moeten we niet willen. Daarom krijgen banken een Glass-Steagall Act 2.0. De scheiding tussen bankieren en riskant beleggen wordt momenteel geregeld. En het onderwijs? Politici acteren verontwaardiging, schreeuwen om toezicht en spreken morele oordelen uit over schoolbestuurders. Maar het was minister Ritzen (PvdA) die met Kamerbrede steun in de jaren negentig van de vorige eeuw de scheiding tussen beheer en onderwijs weg poetste. Hij maakte van schoolbesturen beleggingsmaatschappijen. Dezelfde Ritzen trad later toe tot de kaste van de onderwijsbestuurders.

Het schoolbestuur dat onderwijs, gebouwen en beheer in zichzelf verenigt is een foute constructie. Het zijn leraren en leerlingen die opdraaien voor het risicozoekend gedrag van de maatschappelijk ondernemer, die het onderwijs in een wurggreep houdt. De positie van de leraar is daardoor teruggebracht tot die van productiemedewerker. De sector heeft recht op zijn eigen Glass-Steagall Act. Het beheer en de gebouwen horen bij de overheid. De school is van hen die er verstand van hebben, de leraren. En de maatschappelijke ondernemers? Die zijn overbodig!

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist.