Kim Ki-duk gaat zoals vanouds woest tekeer

Pietà. Regie: Kim Ki-duk. Met: Min-soo Jo, Eunjin Kang, Jae-rok Kim. In: 8 bioscopen.**

Een bedenkelijk trend onder jury's van grote filmfestivals: de hoofdprijs uitdelen aan films die niet zo bijster goed zijn, maar die zulke desastreuse vooruitzichten hebben bij het vinden van een publiek, dat ze een steun in de rug kunnen gebruiken. Denk aan de recente Gouden Palmen voor films als Uncle Boonmee (2010) en The Tree of Life (2011) in Cannes, en de Gouden Leeuw van Venetië voor Faust (2011) en nu Pietà (2012) van de Koreaanse regisseur Kim Ki-duk.

De controversiële regisseur was enige tijd uit beeld, maar had begin jaren nul een paar stevige arthousehits met films als Spring, Summer, Fall, Winter, and Spring (2003) en Bin-Jip (2004). Bij alle evidente visuele kwaliteit leden die films al onder onhandige, ongemakkelijke dramaturgie, en het nodige – gewelddadige – effectbejag. Ook in Pietà (de titel verwijst naar het beroemde beeld van Michelangelo) gaat de filmmaker, die lange tijd niet kon werken door een depressie, weer tekeer met de subtiliteit van een mokerhamer.

Lee Gang-do (Lee Jung-jin) is een man zonder emotie of geweten, die vuile klussen uitvoert voor een woekeraar. Kleine winkeliers en uitbaters van werkplaatsen verminkt hij gruwelijk, als ze hun schuld niet kunnen afbetalen, om daarna het geld van hun ongevallenverzekering te kunnen incasseren.

Daar komt allemaal verandering in als een oudere vrouw (Cho Min-soo) opduikt, die zegt de moeder te zijn, die hij nooit heeft gekend. Volgt een verkrachting van ma door zoonlief en andere incestueuze hand- en spandiensten, tussen de ene spectaculaire zelfmoord en de volgende martelsessie door. Uiteindelijk brengt de aanwezigheid van de moeder de man tot inkeer, in een film vol kwajongensnihilisme, zonder een spoortje van licht of humor. Knap gebruik van de locatie, dat wel: een arme wijk van ijzerwerkers in Seoul, bedreigd door hoogbouw.