Indonesië lanceert onderwijsrevolutie

Indonesië kondigt een totale vernieuwing van het onderwijs aan, met meer religie en ethiek. Zo moet het land zijn potentieel pas echt gaan benutten.

„Hello mister. May we have a conversation with you about human trafficking in Indonesia?” De vier pubermeisjes in schooluniform, identieke bruine batikbloesjes en rokken zo groot als tenten, wachten het antwoord niet af. Eentje floept een blackberry uit haar zak en begint te filmen. „We would very much like to practice our English by talking about important matters”, zegt het meisje met jeugdpuistjes op een vrijdagavond om half acht in de Lippo Mall, een splinternieuw winkelcentrum in het welvarende zuiden van Jakarta.

Dat het groepje pubers bezig is met Engelse les in plaats van zich te vergapen aan de etalages van modewinkels van Lacoste of Stradivarius is verklaarbaar: onderwijs in Indonesië is notoir slecht, zelfs in de rijke delen van het land. Wie een belangrijke taal als Engels echt goed wil leren, moet dat voor een groot deel zelf doen. Vrijdagen zijn daar goed voor, vertellen de meisjes. Veel blanken. Hun antwoord is aanleiding voor een onbedaarlijke giechelbui.

De deplorabele staat van het onderwijs in Indonesië is hoogst actueel. Het ministerie van onderwijs bereidt een herziening van het gehele curriculum voor. Op basis- en middelbare scholen moet meer aandacht komen voor religie en ethiek en minder tijd voor Engels en wetenschap, heeft het ministerie laten weten. In juli moeten de wijzigingen in gaan.

Dat er veel schort aan het niveau van scholen in Indonesië bleek vorig jaar weer eens uit onderzoek van denktank The Economist Intelligence Unit. Op basis van verschillende criteria (duur van de leerplicht, slagingspercentage, klasgrootte, etc.) bleek dat Indonesië het slechtst scoorde van de groep geselecteerde ontwikkelde en opkomende landen.

Gezien de groeiende jonge bevolking voorspellen economen een mooie toekomst voor Indonesië. Maar wil het land daar iets van waar maken dan lijkt een beroepsbevolking die de internationale concurrentieslag aan kan broodnodig. Vooralsnog laten de meeste grote bedrijven hun computers, auto’s of software liever maken door Chinese, Japanse, Koreaanse, Thaise of Maleisische fabrieksarbeiders, softwareontwikkelaars of techneuten.

In een balzaal van een vergaderkamer op het ministerie vertelt staatssecretaris van Onderwijs Musliar Kasim dat het nieuwe curriculum bedoeld is om kritische geesten te creëren die een gemondialiseerde wereld aankunnen: „Wij zijn niet dommer dan Japanners, Duitsers of Singaporezen. Als ons onderwijs goed is, zullen wij slim zijn.”

Het grootste probleem volgens de politicus is dat leerlingen alleen onthouden wat ze leren. „Wij slagen er niet in ze kritisch en creatief te laten denken en ze de vaardigheden te geven om vol vertrouwen hun kennis te uiten”, zegt Kasim. Maar hij wil wel slimmeriken die een diepe liefde voor Indonesië koesteren en kennis en respect hebben voor de rijke tradities en geloven die Indonesië rijk is.

De staatssecretaris geeft een voorbeeld hoe nieuw lesmateriaal voor verandering kan zorgen. Op de basisschool leren kinderen vaak over de avonturen van Boedi, een Javaans jongetje. Boedi gaat naar de markt. Boedi gaat naar de dierentuin. Boedi gaat naar de stad. „Dat moet anders”, zegt Kasim. Hij wil dat er ook avonturen met Balinese, Madurese, en Sumatraanse namen komen. „Dat wekt nieuwsgierigheid. Waar wonen die mensen? Wat zijn hun gebruiken? Het is een klein voorbeeld van hoe wij al van jongs af aan wetenschappelijk denken willen stimuleren.”

Er is veel kritiek op de plannen van de regering. Er zou te weinig nadruk liggen op de zwakheden van het onderwijsstelsel: slecht opgeleide, dure en corrupte leraren. Ook zou er te weinig aandacht zijn voor de grote kwaliteitsverschillen. Waar de betere klaslokalen in Jakarta uitgerust zijn met internetverbindingen en LCD-schermen, zijn scholen op het platteland weinig meer dan vier muren met een dak. Er zou te weinig worden gedaan om goede leerkrachten, financieel, te stimuleren van de stad naar Papoea of Flores te lokken.

Toch wijzen leerkrachten het nieuwe curriculum niet af. Wilin Murtanti is lerares Engels en verantwoordelijk voor het curriculum op een openbare middelbare school in Jakarta. Ze denkt dat het nieuwe lespakket Indonesiërs klaarstoomt voor een mooie toekomst. „Insjallah. Als God het wil”, zegt ze. Dat haar vak minder aan bod komt in de les vindt ze niet zo erg. „Ze kennen de muziek van Justin Bieber, maar weten niks meer over traditionele Kendang-muziek. Dat is funest voor hun begrip van wie ze zijn en wat Indonesië is.”

De lerares Engels vertelt een veelgehoord verhaal. Indonesië is een jong land, nog geen zeventig jaar oud en een nog jongere democratie. Indonesië is een divers land, met vijf erkende godsdiensten en 700 gesproken talen. Van oost naar west is dik 5.000 kilometer, ongeveer de afstand van Dublin naar Teheran. Onderwijs dient in Indonesië niet alleen om op te leiden, maar is ook een bindmiddel en een manier om vanuit Jakarta enige invloed uit te oefenen op verre eilanden.

De rol van het onderwijs als boodschapper van de regering is niet nieuw. Generaties Indonesiërs dreunen moeiteloos de vijf basisprincipes op die volgens oud-president Soekarno de basis vormden voor het moderne Indonesië. Autocraat Soeharto richtte twintig staatsuniversiteiten op verspreid over het hele land, maar dat waren nauwelijks vrijzinnige bolwerken, schrijft antropoloog Scott Guggenheim in een recent rapport over de Indonesische kennissector. „Het autoritaire beleid onderdrukte kritisch denken en sloot vrijwel elke plek waar weerstand tegen het overheidsbeleid kon ontstaan.”

Dat onderwijsstelsel heeft een rotte generatie gecreëerd, zegt Widodo, chemieleraar op SMA Pangudi Luhur, een katholieke jongensschool in Jakarta waar ondanks de tientallen mariabeeldjes de helft van de leerlingen moslim is. En dat geldt niet alleen voor de politici, zegt Widodo. „Kijk naar de illegale houtkap. Kijk naar de integriteit van onze zakenlieden. Al het negatieve in onze maatschappij heeft momenteel te maken met het gebrek aan moraal. Je kan het ons dan toch niet kwalijk nemen dat wij als onderwijzers ons daar op willen richten?”