‘Humor moet wreed durven zijn’

In Frankrijk en België is Benoît Poelvoorde een ster. Een rol in Intouchables wees hij af. „Ik kan niet de hele dag in een rolstoel te zitten.”

Benoît Poelvoorde als Not: ,,Bestaan er eigenlijk Franse humoristen?”

Benoît Poelvoorde (1964) zegt zelf niet te weten waarom de regisseurs van Le Grand Soir hem per se wilden als ‘de oudste punker met hond van Europa’. Wie een blik werpt op de filmografie van de Franstalige Belg krijgt een vermoeden. De rol van Not, een dakloze anarchist die op een parkeerterrein tussen een hypermarché, Kentucky Fried Chicken en een meubelboulevard zijn eigen kleine strijd tegen het kapitalisme voert, lijkt hem op het lijf geschreven. Na zijn doorbraak op 28-jarige leeftijd als praatgrage moordenaar in de pseudodocumentaire C’est arrivé près de chez vous, (1992) evolueerde Poelvoorde tot koning van de antihelden. Hij wordt geregeld gecast als slapstickvijand in Franse blockbusters als Astérix au jeux Olympique en Rien à déclarer wegens zijn extreem expressieve gezicht met vaak een wat dommige grijns. Maar Poelvoorde is vooral goed in het neerzetten van naïevelingen. Types die hun leven volkomen in de soep laten lopen, terwijl ze een onrealistische droom najagen, zoals de bankbediende die zijn huwelijk ruïneert in een poging de beste imitator van de Franse chansonnier Claude François te worden (Podium, 2004).

„De grappigste dingen zijn vaak dramatisch”, vertelt Poelvoorde telefonisch vanuit Brussel. „Film iemand die uitglijdt over een bananenschil van een afstand en het is komedie, maak er een close-up van en het is tragedie, want je ziet iemand die pijn lijdt. Maar het blijft dezelfde bananenschil.” Poelvoorde houdt dan ook van de humor van Benoît Delépine en Gustave de Kervern, regisseurs van Le Grand Soir: „Ze durven wreed te zijn.”

Hij waardeert bovendien hun voorliefde voor het absurde, die volgens hem meer aansluit bij de Engelse humortraditie dan de Franse. De Waal heeft weinig met Franse humor. „Bestaan er eigenlijk Franse humoristen? Ik ben zelf een enorme fan van iemand als Ricky Gervais. Engelsen zijn excentrieker, durven uit de toon te vallen. Fransen zetten zichzelf niet snel te kijk. Gervais is bovendien een geweldig acteur.”

Poelvoorde onderstreept het belang van ritmegevoel bij humoristische acteurs, het draait volgens hem minder om wat je doet maar meer om het ritme waarmee je het doet. „Het is zoals een jamsessie in de jazzmuziek, je moet het speltempo beheersen. Zodra je het perfecte speltempo gevonden hebt, kun je improviseren.” De Belg vertelt dat hij op de set opnames niet herbekijkt, maar wel herbeluistert als hij twijfelt of ze goed zijn. „Het beeld van een scène kan er perfect uitzien, als het geluid niet goedzit, blijkt het geheel vaak een mislukking. Als de geluidsopname van scène goed klinkt, kan ik er zeker van zijn dat hij er achteraf goed zal uitzien, zonder de beelden te bekijken.”

Poelvoorde improviseert graag tijdens opnames. „Maar regisseurs staan er vaak zelf voor open”, vertelt hij. „Soms omdat ze lui waren tijdens het schrijven, maar bij Delépine en Kervern maakt het deel uit van hun werkwijze, geregeld gaven ze ons alleen wat richtlijnen en zeiden vervolgens: zie maar.” Kinderlijk enthousiast somt Poelvoorde geïmproviseerde scènes op in Le Grand Soir, zoals die waarin Not voor de ruit van een restaurant, denkend dat het een spiegel is, een punkoptreden geeft. „En alle scènes met mijn hond; hij beet ballonnen stuk, liep achter blikjes bier aan, begon te grommen tegen reclameborden met katten erop. Hij is een geweldige improvisator.”

De Belg kan de meest te misprijzen figuren een soort onbeholpenheid meegeven, waardoor ze menselijk en sympathiek worden. Zelfs terwijl hij als afgeleefde punker met een biertje in de hand supermarktbezoekers naroept, blijft hij innemend. Ook buiten de set heeft Poelvoorde een goedaardig en vriendelijk imago. In Frankrijk en België is hij een ster. Zijn uitspattingen, zo knalde hij ooit dronken met zijn wagen tegen de gevel van een huis, worden breed uitgesmeerd in de roddelpers. Toch blijft men hem omschrijven als „iemand van het volk”. Mede omdat hij openlijk praat over zijn terugkerende depressies en weigert naar Parijs te verhuizen. Hij woont in de regio rond Namen waar hij opgroeide.

Poelvoorde: „Als je werkt in de Franse filmindustrie wordt er verwacht dat je enkel uitgaat in de bars en clubs waar acteurs en regisseurs komen, en elke avond praat over film. Het is alsof je met een groep loodgieters elke avond in de kroeg zou praten over loodgieterij.” Poelvoorde zegt inspiratie te halen uit de mensen om hem heen. „Ik vind het leuk om met een bevriende garagehouder te praten over auto’s.” Hij beweert nooit de ambitie te hebben gehad om acteur te worden. „Ik heb een kunstopleiding gevolgd. Vrienden van mij zochten iemand die niet bang was voor de camera, zo belandde ik in C’est arrivé près de chez vous en ontdekte ik dat ik geld met acteren kon verdienen.”

Hij kiest zijn rollen aan de hand van de makers. „Ik moet de mensen met wie ik werk interessant vinden en me kunnen amuseren. De rol van Not heb ik geaccepteerd zonder het scenario te lezen.” Af en toe speelt hij in een blockbuster, omdat het goed betaalt, maar de rol van Philippe in Intouchables heeft hij bijvoorbeeld geweigerd. „Idioot hè, maar ik heb er geen spijt van. Ik ben een te grote zenuwpees om heel de tijd in een rolstoel te zitten.”

Op de vraag of zijn Franse carrière een duwtje in de rug kreeg door de zogenoemde Belgische tax shelter, antwoordt hij eerst volmondig nee. Als buitenlandse producenten in België of aan Belgische acteurs geld spenderen, krijgen ze fikse belastingvoordelen. Op het einde van het gesprek komt Poelvoorde hierop terug, al lachend. „Weet u, ik zal het eens vragen rondom me. U brengt me opeens aan het twijfelen.”