Het had niet zo extreem gehoeven

Balans werk en privé // Het debat over de werk-privébalans gaat door Erin Callan, voormalig CFO van Lehman Brothers, heeft spijt Haar werk kwam altijd op de eerste plaats

Op een kantoorborrel in 2005 vroeg een collega mijn toenmalige man wat ik in het weekend zoal deed. Ze kende mij als een heel gedreven iemand met een grote energie. „Gaat ze kajakken, bergbeklimmen en daarna een halve marathon lopen?” zei ze bij wijze van grap. „Nee”, antwoordde hij eenvoudig, „ze slaapt”.

En dat was ook zo. Als ik geen achterstallig werk inhaalde, laadde ik in het weekend mijn accu voor de komende week op. Het werk kwam altijd op de eerste plaats, voor mijn familie, mijn vrienden en mijn huwelijk – dat een paar jaar later dan ook stuk liep.

De laatste weken volg ik met belangstelling de oplopende discussie over de balans tussen leven en werk, en de verschillende standpunten van onder anderen Sheryl Sandberg van Facebook, Marissa Mayer van Yahoo en de academica Anne-Marie Slaughter.

Ik vertrok in 2008 als financieel directeur bij Lehman Brothers, te midden van een groeiende chaos en een wolk van publieke vernedering en slechts enkele maanden voor het bedrijf failliet ging. Sindsdien heb ik ruimschoots de tijd gehad om na te denken over de beslissingen die ik heb genomen om een balans te vinden (of juist niet) tussen mijn werk en de rest van mijn leven. Dat ik van ‘de rest van mijn leven’ spreek, tekent al waar het werk in de pikorde stond.

Ik heb geen kinderen, dus misschien lijkt mijn verhaal niet zo relevant voor de discussie over de balans tussen leven en werk. Maar net als iedereen heb ik wel relaties – een man, vrienden en familie – en geen van hen gaf ik het beste van mezelf. Ze kregen wat er nog overbleef.

Het was niet van meet af aan mijn opzet om helemaal in mijn werk op te gaan. Dat sloop er gaandeweg in. Met elk jaar dat verstreek, werden kleine veranderingen weer normaal. Eerst besteedde ik zondags een half uur aan de organisatie van mijn e-mail, to do-lijst en agenda om de maandagochtend te vergemakkelijken. Daarna werkte ik zondags een paar uur, daarna de hele dag. Mijn grenzen vervaagden totdat alleen het werk nog over was.

Na mijn ontslag was ik daar onvermijdelijk kapot van. Ik kon me niet zomaar vermannen en weer doorgaan. Ik wist niet hoe ik degene die ik was moest waarderen ten opzichte van dat wat ik deed. Ik wás wat ik deed.

Ik leef nu al een aantal jaren een andere versie van mijn leven, waarin ik probeer mijn energie te steken in mijn nieuwe man Anthony en de mensen die me lief zijn en om wie ik geef. Maar de verloren tijd kan ik niet inhalen. Ook al heb ik nu stiefkinderen, ik mis vooral dat ik geen eigen kind heb. Ik ben 47 jaar en Anthony en ik proberen al een aantal jaren ivf. We hebben nog steeds hoop.

Soms hoor ik van jonge vrouwen dat ze bewonderen wat ik heb gedaan. In hun ogen heb ik twintig jaar hard gewerkt en kan ik me nu de volgende twintig jaar op andere dingen richten. Maar dat is geen balans. Dat wens ik niemand toe. Zelfs op de beste momenten in mijn loopbaan heb ik nooit het waanidee gehad dat ik ook maar in de verste verte een rationele verdeling had bereikt tussen mijn werkende leven en mijn privéleven.

Ik heb me vaak afgevraagd of ik als financieel directeur zou zijn gevraagd als ik niet zo had gewerkt als ik deed. Tot voor kort meende ik dat mijn uitzonderlijke gerichtheid op mijn carrière het krachtigste bestanddeel van mijn succes was. Maar langzamerhand besef ik dat ik mezelf daarmee tekortdeed. Ik was begaafd, intelligent en energiek. Het had niet zo extreem gehoeven. Bovendien nam de opbrengst van al dat geploeter af.

Ik hoefde niet van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat met mijn BlackBerry in de weer te zijn. Ik hoefde niet het merendeel van mijn maaltijden aan mijn bureau te nuttigen. Ik hoefde niet op mijn verjaardag ’s nachts naar een bijeenkomst in Europa te vliegen. Ik geloof nu dat ik eenzelfde positie ook had kunnen bereiken met een op z’n minst iets betere versie van een persoonlijk leven. Niet zonder opofferingen – je kunt denk ik niet alles hebben – maar wel met iets meer harmonie.

Ik heb me ook afgevraagd waar ik nu zou staan als Lehman Brothers er niet onderdoor was gegaan. Al in 2007 kreeg ik gaandeweg mijn twijfel over de manier waarop ik leefde. Of eigenlijk niet leefde. Maar ik voelde me gevangen in mijn carrière. Ik was net als CFO gevraagd. Ik had een verantwoordelijkheid. Zonder de crisis was ik misschien nooit sterk genoeg geweest om eruit te stappen. Wat toen als een van de ergste ervaringen uit mijn leven aanvoelde, had ik misschien wel nodig om dankbaar te worden voor het leven dat ik had. Ik moest leren waarderen wat er overbleef.

Uiteindelijk is dat de beste raad die ik kan geven. Welke waardevolle adviezen ik ook heb over de aanpak van een carrière, ik leer nu pas hoe ik een leven moet aanpakken.

© 2013 The New York Times