De residentie van Otto van Oudijck

Bas Heijne ontdekte in Indonesië met documentairemakers het huis waar Louis Couperus De stille kracht schreef. „Ook de avondwandeling die de resident in het eerste hoofdstuk maakt, over de Lange Laan naar de haven, valt nog precies na te lopen.”

Vergelijk de beschrijving van de residentswoning in de roman met de bouwval [...] en je beseft hoe dicht Couperus bij de werkelijkheid is gebleven. Foto Thomas Vroege

e leeuw bevestigt ons vermoeden. We treffen hem aan in de grote voortuin van het ernstig vervallen gebouw aan de rand van de Indonesische provincieplaats Pasoeroean – een trotse Nederlandse leeuw in steen, het bemoste symbool van vergane Nederlandse overheersing. Een vergelijking met oude foto’s geeft voor ons de doorslag. We staan voor de voormalige residentswoning waar Louis Couperus in 1900 zijn roman De stille kracht schreef.

Samen met filmmaker Jan Louter en een kleine crew heb ik de afgelopen maand in Indonesië gereisd, voor onze documentaire over leven en werk van Louis Couperus (1863-1923). Opzet van de film is aan de hand van mijn fascinatie voor Couperus te laten zien dat hij ook een schrijver voor onze tijd is.

De stille kracht is voor mij Couperus’ grootste meesterwerk. Ik heb de roman tot nu zes of zeven keer gelezen. Het is niet alleen een visionaire roman waarin het Nederlandse koloniale bewind de ondergang wordt aangezegd, bijna een halve eeuw voor het verlies van „ons Indië”, maar vooral een adembenemende uitwerking van Couperus’ grote thema: de mens die manmoedig probeert zin te ontdekken in een wereld die hij nooit zal kunnen bevatten.

De veelbelovende Indisch ambtenaar Otto van Oudijck, resident van district Laboewangi, probeert een rechtvaardig bestuurder te zijn, maar hij is blind voor alles wat zich aan zijn eigen logica en gevoel van juistheid onttrekt. „Hij dacht niet”, schrijft Couperus, „volgens de tintwisseling van zijn leven, hij dacht volgens zijn ideeën en principes.”

Daardoor miskent de resident de gevoelens van de inlandse bevolking en mist hij de verborgen woelingen in zijn eigen gezin, zoals het seriële overspel van zijn vrouw Léonie. Wanneer de residentswoning tijdens een conflict met de inlandse regent geplaagd wordt door vreemde, occulte verschijnselen, zoals rondvliegende stenen en spookachtige geluiden, en zijn vrouw – de beroemde tv-scène – in de badkamer bespuwd wordt met sirih-sap, houdt Van Oudijck manmoedig stand. Maar daarna is het snel afgelopen met hem. Hij is zijn zelfvertrouwen kwijt, omdat hij niet kan begrijpen wat hem is overkomen: „Alles in mij heeft gewankeld.”

We verwachten in Pasoeroean, dat op Java ligt, ten oosten van Soerabaja, eerder sfeer aan te treffen dan tastbare herinneringen aan Couperus’ verblijf. Maar we stuiten op deze nog altijd imposante residentswoning, waar Couperus eind 1900 samen met zijn vrouw logeerde bij zijn geliefde zuster Trudy en zijn zwager Gerard Valette, die daar zojuist was geplaatst als resident. Al snel na zijn aankomst begon hij aan „mijn Indische roman uit de ambtenaarskringen. [...] Ik schrijf er iedere dag geregeld aan – trouwens het leven is hier zo rustig, men kan wel niets anders doen dan werken. Het begin voldoet mij wel, en ik hoop het boek af te hebben in Febr. vóor wij terugkeren”.

Ons wacht nog een ontdekking: niet alleen schreef Couperus zijn Indische roman ter plekke, hij gebruikte ook alles wat hij in Pasoeroean tegenkwam. Vergelijk de beschrijving van de residentswoning op de eerste bladzijde van de roman met de bouwval die wij gevonden hebben en je beseft hoe dicht Couperus bij de werkelijkheid is gebleven. Ook de avondwandeling die de resident in het eerste hoofdstuk maakt, over de Lange Laan naar de haven, valt nog precies na te lopen. Exact op de plaats waar je verwacht tref je de Hollandse sociëteit. Tegenwoordig is het een technische school, maar binnenin wordt het podium waarop Couperus aan amateurtoneel deed nog altijd voor muziekuitvoeringen door de leerlingen gebruikt.

De stille kracht is een gelaagde roman, maar Couperus ging als een journalist te werk. Hij kende Indië goed – zijn familie telde veel koloniale bestuurders en als kind had hij er vijf jaar doorgebracht. Maar om van Van Oudijck een overtuigend personage te maken moest hij bij zijn zwager, de resident, te rade gaan. Zelden zal een literair meesterwerk zo snel tot stand gekomen zijn.

Het lukte hem niet voor zijn vertrek uit Indië de roman af te krijgen. De laatste hoofdstukken schreef hij waarschijnlijk in Nice. Daarna volgde snel weer ander werk, zoals De boeken der kleine zielen. Dat verklaart misschien waarom Couperus later weinig meer over De stille kracht gezegd heeft. Hij lijkt het boek even snel weer vergeten te zijn. Bij verschijning veroorzaakte het schandaal vanwege de onverbloemde seks, maar een seller werd het niet; pas in 1911 verscheen een tweede druk.

De residentswoning Pasoeroean is nu niet veel meer dan een afgebladderde ruïne. De achtergalerij waar Couperus iedere ochtend ging zitten schrijven bestaat niet meer; achter het hoofdgebouw staan nu roestige loodsen waarin tabaksbladeren gedroogd worden. Niets herinnert aan Couperus’ verblijf. De Hollandse leeuw staat verloren in de grote tuin. Ik vind het passend. Het idee van onvermijdelijk verval en de vergankelijkheid van alles wat door mensen gemaakt wordt, beheerst al het werk van Couperus, dat de laatste jaren maar weinig herdrukt wordt. Steeds vaker kom ik mensen tegen die nog nooit van hem gehoord hebben. In die zin is dit haveloze gebouw het volmaakte monument voor deze schrijver en zijn adembenemende roman.