De correspondent in Venezuela // Tot ik dit stukje schreef, was ik nog nooit beroofd

Latijns-Amerikanen zijn vroege vogels. Zes uur opstaan is heel normaal. En voor wie wel dacht te gaan uitslapen zijn er de autoalarmen.

De eerste keer deed ik mijn raam open om de autodieven te zien. Na de zoveelste keer wist ik: dit is een kat die op de motorkap springt.

De autoalarmen zijn voor mij de herkenningsmelodie van een continent dat leeft in angst. Berovingen, ontvoeringen, moorden: de wereldwijde geweldslijstjes worden aangevoerd door Latijns-Amerika. Van de tien landen met het hoogste moordcijfer, komen negen uit de regio.

Niet gek dus dat de latino’s zich niet zo veilig voelen. Wie geld heeft, woont achter hoge hekken, de armen metselen glasscherven op hun omheiningen. Beroofd worden is doodnormaal. Net als gestolen spullen kopen op de zwarte markt, overigens.

Venezuela is de nieuwe koploper in de statistieken. Vorige week bleek uit onderzoek van de Verenigde Naties dat twee op de drie Venezolanen bang zijn als ze ’s avonds over straat moeten. Alleen in Tsjaad is de angst groter.

Dit soort cijfers veranderen snel. Een actieve burgemeester kan een groot verschil maken. Zo is Mexico-Stad omgevormd van een van de onveiligste tot een van de veiligste steden van het continent. Het heeft bijna de gemoedelijke sfeer van Europa, zeker sinds er een wittefietsenplan is.

De oude beelden blijven echter hangen.

Typerend was een gesprekje laatst met een taxichauffeur in Caracas. Hij wilde weg: in een week tijd had hij drie gewapende berovingen gezien. Mexico, opperde ik. Ben je gek, zei hij, met al die drugskartels? Colombia dan. Absoluut niet: ik wist toch van de guerrillaoorlog daar?

In Bogotá waarschuwde een Amerikaanse fotograaf me voor Caracas. Hij was daar een auto in gedwongen en meegenomen op de ‘miljonairstour’: een ritje langs pinautomaten, tot zijn pasjes leeg waren.

Zelf had ik nog nooit iets vervelends meegemaakt in Latijns-Amerika. Sterker nog, maandag stuurde ik een eerdere versie van deze rubriek naar de krant met de zin: ‘De enige beroving in mijn leven was in Amsterdam, op nog geen kilometer van mijn huis.’

Tot ik een paar uur later het centrum van Caracas inging. Zoals altijd had ik mijn iPhone en mijn bankpasjes thuisgelaten. Ik stapte een minibusje in.

Ik zat nog maar net of een jongen hield een zilverkleurig pistool voor mijn gezicht. „Je ring! Je ring! Je ring!” schreeuwde hij.

Daar ging mijn trouwring. Het enige waardevolle dat ik dagelijks draag. Volgens een paar passagiers was het pistool nep.