Bezuinig niet extra in 2014, zegt IMF

Het kabinet kan de voorgenomen extra bezuiniging van 4,5 miljard euro in 2014 beter achterwege laten. Dat concludeert het Internationaal Monetair Fonds (IMF) na een onderzoek naar de stand van de Nederlandse economie. Het land is meer gebaat bij het wegnemen van onzekerheden.

Zonder extra bezuinigingen is er al genoeg onzekerheid, vindt het IMF. Het is bijvoorbeeld onbekend hoeveel de huizenprijzen, die sinds 2008 met 20 procent zijn gezakt, nog verder zullen dalen. Dit zal het consumentenvertrouwen voorlopig blijven aantasten. De onzekerheid over de huizenprijzen heeft ook een weerslag op de banken. Andersom zijn de banken terughoudend met het verstrekken van hypotheken omdat zij volgens nieuwe internationale regels hun kapitaalbuffers moeten versterken. Deze wisselwerking zorgt volgens het IMF voor „ongebruikelijk grote onzekerheid”.

Het instituut verwacht dat de Nederlandse economie dit jaar met 0,5 procent krimpt en volgend jaar weer groeit, met 1,1 procent. Deze ramingen sluiten aan bij die van De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau.

Omdat de economische activiteit dit jaar lager zal zijn dan eerder verwacht, stemt het IMF in met het besluit van het kabinet om dit jaar geen extra bezuinigingen door te voeren en genoegen te nemen met een beraamd begrotingstekort van 3,4 procent van het bruto binnenlands product. Dat dit hoger is dan volgens de Europese regels is toegestaan, vindt het IMF in dit geval geen groot bezwaar, omdat Nederland al een „zeer aanzienlijke” verbetering van de begroting tot stand heeft gebracht, onder „zeer moeilijke macro-economische omstandigheden”.

Het afschaffen van de tophypotheek en de beperking van de hypotheekrenteaftrek vindt het IMF „belangrijke eerste stappen” voor de hervorming van de huizenmarkt. Als de huizenprijzen zijn gestabiliseerd, moeten verdere maatregelen volgen. Zo moet de sociale huursector worden beperkt, zegt het IMF.

Voor economische groei op de lange termijn is het „essentieel” om de productiviteit te verhogen door investeringen in onderwijs en fundamenteel onderzoek.