Als het maar niet van goede smaak getuigt

Het Holland Animation Film Festival in Utrecht opent vanavond met een getekende biografie van Graham Chapman, de meest wilde en onaangepaste komiek onder de zes leden van Monty Python.

Liefst veertien animatiestudio’s met evenzovele huisstijlen werkten mee aan A Liar’s Biography

Een onbedaarlijke lachbui rolde door de aula. Even eerder was John Cleese, plechtig torenend achter de katheder, zijn toespraakje ter herdenking van Graham Chapman begonnen met op te sommen wie er aan zijn Monty Python-collega verloren was gegaan. Hij had ieders gevoelens willen vertolken, verklaarde hij, door vast te stellen hoe droevig het was dat een man met zo veel talent en zo veel capaciteiten, zo aardig en zo intelligent, opeens was weggenomen terwijl hij nog maar 48 was – nog voordat hij veel van de dingen had kunnen bereiken waartoe hij in staat zou zijn geweest, en nog voordat hij genoeg plezier in het leven had gehad. Waarna de spreker een korte pauze liet vallen en met stemverheffing vervolgde: „Welnu, ik heb het gevoel dat ik zou moeten zeggen: onzin! Goed dat hij dood is, de klootzak, de klaploper, ik hoop dat-ie rot in de hel!”

Nooit eerder had iemand, in de aula van het St. Bartholomew’s Hospital in Londen, zulke taal gebruikt. Maar tegelijk was hier nooit zo zeer in de geest van de overledene gesproken als toen John Cleese in december 1989 zijn grafrede over Graham Chapman hield. En het beste kwam nog. Toen hij de voorgaande avond deze tekst aan het schrijven was, zei hij, fluisterde Chapman deze woorden in zijn oor: „Oké Cleese, jij bent er altijd zo trots op dat je de eerste was die ooit shit zei op de Britse televisie. Als deze herdenkingsdienst voor mij bedoeld is, wil ik dat jij ook de eerste bent die tijdens een Britse herdenkingsdienst fuck! zegt.” Een seconde lang bleef het doodstil. Daarna kwam het bulderende gelach als ontlading.

Het fragment trok intussen op YouTube, in kopieën van uiteenlopende kwaliteit, al zo’n twee miljoen kijkers. En het is bovendien de slotscène in de wonderlijke film A Liar’s Biography: The Untrue Story of Monty Python’s Graham Chapman, waarmee vanavond de nieuwe editie van het Holland Animation Film Festival wordt geopend. Wonderlijk, omdat de verschillende scènes werden gemaakt door animatoren van zeer diverse snit, zodat het resultaat een ietwat onbestemde staalkaart is van allerlei animatietechnieken, van traditioneel tot driedimensionaal, van impressionistisch tot cartoonesk. En nog wonderlijker omdat het scenario werd gebaseerd op A Liar’s Autobiography uit 1980, waarin Chapman soms zijn autobiografische waarheid sprak en soms ook niet – een raar, rammelend boekje met ontroerende, ontluisterende en soms onzinnige passages. Zoals: „Zijn ouders, Tim en Beryl (eigenlijk Walter, Edith en Mark) waren woedend toen Graham werd geboren, want ze hadden een zwarte, heteroseksuele jood verwacht.”

De waarheid is dat Chapman als medicijnenstudent op de universiteit van Cambridge verzeild raakte in het studentencabaret en samen met rechtenstudent John Cleese sketches ging schrijven. Na een handvol ander tv-werk leidde dat uiteindelijk, in 1969, tot hun medewerking aan de buitensporige tv-serie Monty Python’s Flying Circus. Van de zes Python-mannen was Chapman de meest subversieve, de minst aangepaste, degene die altijd verder wilde gaan dan de anderen. Zo schreef hij onder meer, samen met Cleese, de fameuze papegaaisketch, met de uitzinnige reeks synoniemen voor het woord dood. En ook de scène waarin een man zijn pas overleden moeder in een plastic zak bij een uitvaartcentrum komt brengen waar de begrafenisondernemer hem meedeelt wat de mogelijkheden zijn – begraven, cremeren of opeten – en ten slotte ook een tussenoplossing biedt: „Prima, we eten haar op, maar als u daar achteraf spijt van krijgt, graven we een graf en dan kunt u daarin overgeven.” Of, zoals Cleese over zijn co-auteur zei: „Anything for him but mindless good taste.”

Maar een man van tegenstellingen was hij eveneens. In de tv-sketches speelde Chapman even veel karikaturale rollen als de rest, met kolonels (al of niet b.d.) als zijn specialiteit, maar in de twee bioscoopfilms met een doorlopend verhaal was hij als hoofdrolspeler de enige zonder dubbel- en driedubbelrollen. De ietwat onhandige Koning Arthur in Monty Python and the Holy Grail en de door begoochelde discipelen aanbeden Brian in Monty Python’s Life of Brian waren alleszins geloofwaardige figuren die in hun wanhoop zelfs enige sympathie konden opwekken. „Hij was de beste acteur van ons allemaal”, zei menig Python-lid later.

Graham Chapman moet echter ook een getroebleerde man zijn geweest, die al tijdens de eerste succesjaren van de groep een alcoholicus werd. Koffie was in zijn geval „een eufemisme voor gin en tonic met ijs maar geen citroen”, aldus zijn autobiografie. Whisky mocht trouwens ook. „Ik was meestal dronken”, stelde hij achteraf vast. „Veel van die benevelde periode is nog steeds een vuilnisvat vol vage herinneringen.” Eén voorval: „Wakker worden op de vloer van de eerste klas in een Boeing 747 op een hoogte van 35.000 voet, niet wetend hoe ik daar terecht was gekomen, waar ik naar toe ging of waar ik vandaan kwam – en het kon me niets schelen.”

Voor zijn collega’s werd het vanzelfsprekend steeds lastiger met hem te werken; hij was dronken tijdens scriptvergaderingen, tijdens het schrijven en tijdens de dagen waarop gefilmd moest worden. Het lukte soms maar net hem overeind te houden, maar iedereen verzoende zich ermee. Vergoelijkend zeiden de anderen dat Chapmans heldere momenten meestal net lang genoeg duurden om hem op een geniaal idee te brengen.

Na een jaar of tien kickte hij af. Maar de soloprojecten die hij in de jaren zeventig en tachtig ondernam, waren aanzienlijk minder succesvol dan die van de andere vijf. Hij sleepte zich voort op een uitputtende lezingentournee waarop hij lachwekkend bedoelde anekdotes uit de Python-tijd vertelde. Volgens ooggetuigen was dat optreden vooral pijnlijk onleuk. En tegen het eind van de jaren tachtig trof hem de keelkanker. Na een langdurig ziekbed stierf Graham Chapman eind 1989, vlak voordat het twintigjarig bestaan van Monty Python zou worden gevierd. Kort daarna zaten de vijf anderen op het podium tijdens het comedyfestival van het Amerikaanse ski-oord Aspen. Op tafel stond een urn, die naar hun zeggen de as van hun collega bevatte. Quasi per ongeluk stootte Terry Gilliam die om. Met stoffer en blik, een kruimeldief, een stofzuiger en een bezem werd de boel bij elkaar geveegd. Dat zou Chapman mooi hebben gevonden.