Klifzwaluw wendbaar door kortere vleugels Drie andere aanpassers

Klifzwaluwen werden in de VS in de jaren 80 vaak aangereden. Nu lijken ze zich te hebben aangepast: kortere vleugels, minder doden.

Foto Wikimedia Commons

Al dertig jaar verzamelen de Amerikaanse ecologen Charles Brown en Mary Bomberger Brown aangereden klifzwaluwen, in het zuidwesten van Nebraska, op diverse locaties. In de maanden april tot juli – de rest van het jaar overwinteren de vogels in Zuid-Amerika. De zwaluwen hebben zich aan het verstedelijkte leven van Nebraska aangepast door hun nesten onder bruggen te bouwen of in betonduikers, constructies voor waterafvoer. Soms met duizenden tegelijk. Zo vlakbij de weg lopen de vogels wel een groter risico te worden aangereden. Maar dat risico is de afgelopen dertig jaar afgenomen, zo beschrijven Brown en Bromberger Brown vandaag in het tijdschrift Current Biology. Het aantal road kills is in die tijd sterk gedaald. In 1983 verzamelden ze twintig dode vogels, maar vorig jaar waren het er nog maar vier.

Hoe kan dat, vragen de twee ecologen zich af? Het aantal roofdieren dat graag zwaluw eet, bijvoorbeeld het stinkdier, nam in die periode niet toe. Het verkeer werd niet minder druk. De populaties van de zwaluwen groeiden zelfs. Hoe kon het jaarlijks aantal verkeersslachtoffers dan toch afnemen?

Misschien heeft het met de vleugellengte te maken, suggereren de onderzoekers. Sinds 1983 is de gemiddelde vleugellengte afgenomen van 10,9 naar 10,6 centimeter. Niet heel veel, maar wellicht genoeg om naderende auto’s beter te kunnen ontwijken.

Vogels met langere vleugels kunnen niet zo snel vertikaal opstijgen, schrijven Brown en Bomberger Brown. Dus misschien is er sterke selectiedruk op de individuen met de kleinere vleugels. Die overleven vaker en planten zich beter voort. Zo krijgt de populatie als geheel gemiddeld kortere vleugels.

Ze houden wel een slag om de arm. Er zouden ook andere factoren kunnen zijn die zorgen voor een afname van de vleugellengte. Weersomstandigheden wellicht. Of het aanbod van insecten.

Het is in ieder geval een mooie casus om de evolutie van dieren onder invloed van verstedelijking te volgen. Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat dieren zich op talloze manieren aanpassen aan een stedelijke omgeving. Populaties leven er dichter op elkaar dan op het platteland. Ze zijn honkvaster – migreren minder snel. Krijgen een langer broedseizoen. Worden ouder. Veel van deze aanpassingen hebben te maken met een beter voedselaanbod – de mens laat veel eetbaar afval slingeren.

Soorten die zich goed aan de stadsjungle hebben aangepast zijn onder meer de merel, de halsbandparkiet, het konijn, de veldmuis, de vos, de steenmarter en de slechtvalk.