Column

Jonge vrouwen

Op station Weesp stapten twee vrouwen, begin twintig, in de Sprinter naar Amsterdam. Ze namen plaats tegenover mij en mijn tabloid, als ik de krant zo hondachtig mag aanduiden. De vrouwen spraken niet al te luid, maar toch kon ik algauw mijn aandacht moeilijk bij de krant houden. Sommige conversaties zijn onontkoombaar.

Niet dat het zulke spectaculaire vrouwen waren. Ze gingen onopvallend gekleed, spraken verzorgd Nederlands en deden geen aanstellerige pogingen om indruk te maken op hun omgeving. Ze hadden genoeg aan elkaar, als mensen die oprecht in de ander geïnteresseerd waren.

De vrouw met het donkerblonde haar bezat een smartphone waarop ze haar blonde vriendin allerlei zaken liet zien. „Ik sta niet bovenaan”, constateerde de blondine toen ze een adreslijst te zien kreeg. „Bovenaan staan mijn moeder en mijn zus, jij staat drie”, zei de ander. „Jij ook bij mij”, zei de blondine. Ze lachten.

„Dit was mijn beste vriendin”, wees de donkerblonde terwijl ze foto’s liet zien, „maar we hebben ruzie gehad, al praten we nu wel weer met elkaar. En dit is Simon.” De blondine bekeek hem zeer aandachtig en zei toen: „Hij is leuk, maar wel dik.” „Dat valt wel mee”, vond de ander, „hij heeft vooral dikke armen. En dit…dit is Bas.”

Er viel een korte stilte waarin de Algemene Keuringsdienst voor jonge mannen werd geraadpleegd. „Ik vind Simon mooier”, zei de blondine. „Dat is zo”, reageerde haar vriendin met enige tegenzin, „maar Bas lijkt me ook aardig.” „Ken je ze goed?”, wilde de blondine weten. „Simon natuurlijk wel, maar Bas ken ik alleen van internet”, zei de donkerblonde, en als niet onbelangrijk detail voegde ze eraan toe: „Simon vindt dat ik zo’n leuke kont heb, als hij me ziet moet hij er altijd even aan voelen, of hij wrijft over mijn been.”

„Je zou het zo niet zeggen”, zei de blondine, „hij ziet er een beetje verlegen uit.” Het begon mij op te vallen dat ze tussen de regels door stevige kritiek op de vriendjes van haar vriendin had. Te dik, verlegen, minder mooi. Alsof ze door mijn argwaan werd aangespoord, vroeg ze: „Die Bas, wat doet-ie eigenlijk?”

De vraag overviel de donkerblonde. „Simon heeft… een betere baan”, zei ze aarzelend, „Bas is loodgieter.” „Wat moet je daar nou mee?”, vroeg de blondine spontaan, maar toch wat zachter – ze keek nu ook een beetje weg.

Ze zwegen. Een rinkelend mobieltje, in de jaszak van de blondine, bracht redding. Ze haalde het ding tevoorschijn en begon een gesprek. „Papa wil niet dat we naar hem toekomen en mama is er ook niet”, zei ze. Geen probleemloos gezin, leek me, maar bestonden die wel?

Laconiek beëindigde ze het gesprek. „Dat was mijn zus”, zei ze, „we gaan samen eten. Zij wil altijd Thais eten, maar ik heb meer zin in patat met biefstuk.” Ze bleef even roerloos voor zich uit kijken. „Het lijkt me zo erg om kinderen te krijgen”, zei ze toen. „Het is leuker om ze te maken”, lachte de ander.

Ik hield me er buiten, al had ik ook mijn voorkeur. Er was geen gelegenheid meer om nog wat te zeggen, want we waren het Centraal Station al binnengereden. De mensen om ons heen stonden op, de twee vrouwen voegden zich bij hen. Ik zou ze nooit meer zien, nooit zou ik te weten komen hoe het was afgelopen met Simon, en of Bas zijn kansen op de huwelijksmarkt had kunnen versterken door iets hogers dan loodgieter te worden. Trains and boats and planes…