Ik denk nog steeds dat ik door de mand kan vallen

Voor elk optreden verzint cabaretier Pieter Derks nieuwe grappen. Dat betekent vijf grappen per dag. „Ik heb een bijna naïef geloof in dat alles beter kan.”

‘Mijn gezicht is bleu en onschuldig. Dat van een jongetje. Maar ik heb nooit gedacht: was ik maar een ongeschoren dronkenlap.” Cabaretier Pieter Derks is een groot talent, daar zijn de recensenten het over eens. Maar, schreef één van hen, het leven moet er nog wel overheen. Bullshit, vindt Derks. „Waarom moet ik drie jaar aan de crack gezeten hebben voor ik iets zinnigs over het leven kan zeggen? Ik kan niet ineens meer leven hebben dan ik heb gehad.” En kijk, wijst hij als hij zijn haren naar achteren duwt, „Ik krijg al een beetje inhammen. Ik ga er vanzelf doorleefder uitzien.”

Pieter Derks (28) ontvangt in zijn werkruimte in Nijmegen. De bovenste verdieping in een gebouw waar schilders, muzikanten en andere kunstenaars hun atelier hebben. Dit is de plek waar hij „vijf grappen per dag” verzint. Letterlijk elke dag, want hij heeft wekelijkse columns op Radio 1 en in De Wereld Draait Door en staat daarnaast drie avonden per week in het theater. Voor elk optreden heeft hij nieuwe grappen nodig; net als zijn columns is ook zijn vierde theaterprogramma Van Nature gebaseerd op de actualiteit. „Een goede grap ontstaat door een soort kortsluiting in mijn hoofd”, zegt Derks. „Een onverwacht moment waarop twee hersencellen contact maken. Dan springt er ineens een vonkje over.”

Je wist al jong dat je cabaretier wilde worden. Waarom?

„Ik was een heel stille, verlegen jongen. Cabaret was mijn manier om me te uiten.”

Niet elke stille, verlegen jongen zoekt het podium op.

„Ik zocht ook de spanning. Al heel jong wist ik: elke dag vroeg op en ’s middags weer thuis, dat ritme, dat nette leven, dat wil ik niet. Ik wilde breken met het burgerlijke. Maar dit is allemaal achteraf gepsychologiseer, hè. Ik zei niet op mijn tiende tegen de juf: als ik groot ben, breek ik met de sleur. Ik hield als kind al van een dag die anders is dan de andere. Ik vind het heel moeilijk om een halfje bruin te halen bij de bakker. Dan doe ik er een croissantje bij. Wat natuurlijk nog steeds heel suf is.„Ik bewonderde André van Duin en Herman Finkers en later, op de middelbare school, Youp van ’t Hek en Lebbis & Jansen. Ik dacht: als je dat kunt, dan heb je vast een heel leuk leven.”

En je dacht: dat kan ik ook?

„Ik ging ervan uit dat het me zou lukken. Ik heb niet nagedacht over alternatieven en heb nooit een uitweg voor mezelf gecreëerd. Mijn geschiedenisstudie is geen reserveoptie, maar een manier om me verder te ontwikkelen, om niet monomaan bezig te zijn. Had ik een veilige back-up gehad, dan was ik geregeld in de verleiding gekomen om het op te geven.”

Wanneer bijvoorbeeld?

„Anderhalf jaar geleden liep het theaterbezoek terug, ik stond vaak voor twintig man te spelen. De theaters boekten veiliger door de crisis en dus minder. Ik begon me af te vragen: kom ik hier volgend jaar nog van rond? Mijn enige optie was om heel veel naar buiten te treden, te zorgen dat zoveel mogelijk mensen mij kennen. Dat leidde tot mijn radiocolumn voor BNN Today en dat leidde weer tot mijn wekelijkse optreden in De Wereld Draait Door.”

Je sluit al een jaar elke vrijdag de week af in De Wereld Draait Door. Hoe groot is die impact geweest?

„Enorm. Mijn zalen zitten nu vol. Het is een stoomcursus onder hoge druk. Ik heb geleerd sneller te schrijven, sneller to the point te komen, betere onderwerpen te kiezen en meer grappen te verzinnen.”

Hoe verzin je die grappen?

„Ik lees de kranten. Als het meezit, staan er een paar dingen in waar ik boos over word, of waar ik me over verbaas. Dat boze gevoel ga ik onderzoeken. Daarin zit vaak de grap. Ik probeer het zo waar mogelijk te maken. Ik maak geen grap omdat het een leuke grap is, maar omdat ik het echt vind.”

Ben je goed?

„Het is zo moeilijk om jezelf te beoordelen. Ik denk nog steeds dat ik elk moment door de mand kan vallen. Na mijn televisieoptredens krijg ik sms’jes van mijn vrienden en familie. Daaruit kan ik aflezen of het echt goed was of gewoon wel aardig. En als alleen mijn moeder sms’t, nou ja, dan is het helemaal duidelijk.”

Elke week een televisie- en een radiocolumn, het televisieprogramma In Goed Gezelschap, drie theateroptredens. Dat is veel. Hoe doe je dat?

„Met hangen, wurgen, rennen en vliegen. Door soms aan de noodrem te trekken en een paar dagen niks te doen. Soms zegt mijn hoofd: sorry, het gaat niet meer. Dat moet ik in de gaten houden. Ik moet mijn geest fris en scherp houden. Ik kan ver gaan voordat ik mijn grenzen bereik. Maar ik moet goed voor mezelf zorgen.”

Doe je dat ook?

„Nee. Ik ben heel slecht in nee zeggen. Er is altijd die druk als ik wakker word. Ik móét nog wat schrijven vandaag. Laatst had ik vier optredens in een week, naast BNN en De Wereld Draait Door. Na die optredens dacht ik: ik moet naar huis, naar bed, niks schrijven, geen grappen verzinnen.”

Recensenten noemen je een ouderwetse cabaretier. Er zou een jaren-50-wolkje om je heen hangen. Wat is eigentijds aan jou?

„Dat ouderwetse wolkje is er wel, maar minder dan vroeger. In de jaren 70 was er het geëngageerde cabaret, over dingen die deugen en dingen die niet deugen. Maar die grens is in deze tijd niet meer te trekken. Het eigentijdse aan mijn werk is dat ik laat zien dat elk verhaal heel veel kanten heeft. Daardoor wordt het heel moeilijk om ergens iets van te vinden. Ik probeer de goede vragen te stellen, zonder het antwoord te geven.”

Maar je geeft wel vaak een oplossing.

„Ik heb een bijna naïef geloof in dat het beter kan. Ik heb een utopisch ideaal in mijn hoofd waarin iedereen lief is voor elkaar en goed voor de natuur zorgt. Daaraan meet ik alles af.”

Je bent een idealist.

„Ja. Maar ik heb niet de illusie dat ik als cabaretier veel kan veranderen. Als ik dat zou willen, kan ik beter bij een bank gaan werken en daar het systeem van binnen uithollen. Maar ja, dan moet ik er elke dag om acht uur zijn, hè.„Wat ik wél kan: mijn idealen uitdragen en bij andere mensen een vonkje laten overspringen. Mijn generatie heeft heel grote vragen over de wereld en voelt zich tegelijkertijd heel klein omdat we ook maar burgertjes en consumentjes zijn. Het is voor ons heel moeilijk om idealen te hebben en ergens voor te vechten. Dus maken we maar een Facebook-pagina aan die we ‘Stop de oorlog in Syrië’ noemen en die iedereen kan liken. Want ook aan die oorlog zien we weer alle kanten en die kanten zijn allemaal waar. Ja, Assad is een klootzak, ja, bij de rebellen zitten ook onfrisse types en ja, de EU wil graag wapens verkopen. Wat moet je dan op je spandoek zetten?”

Waarom is het typisch voor jouw generatie om alle kanten te zien?

„Er is nu gewoon veel meer informatie. En dat complexe zal alleen maar complexer worden. In mijn voorstelling zeg ik dat we heel pragmatisch zijn geworden. De verkiezingen gingen over koopkrachtplaatjes en CPB-cijfers. Niet over hoe we voor onze gehandicapten willen zorgen, maar over wat dat kost. Dat pragmatisme is een reactie op die complexiteit. Politici zijn bang om stelling te nemen omdat er altijd informatie beschikbaar is om die stelling onderuit te halen. Dat vind ik pijnlijk. Ik mis een politicus die zegt: dáár moet het heen met dit land.”

Waarom ga je zelf de politiek niet in?

„Ik zou dat heel leuk vinden. En het zou me ook liggen. Maar ik weet niet of ik als politicus net zo helder zou kunnen formuleren als ik in het theater doe. Ik heb nu de vrijheid om te denken, dat lijkt me moeilijker als je politicus bent. In het theater kom je geen factcheckers tegen. Het zou goed zijn als politici zich vrijer uitspreken, maar ik snap dat het moeilijk is als iedereen je in de gaten houdt en er iets van vindt. „Politiek zou over idealen en dromen moeten gaan. Natuurlijk, de begroting moet checkbaar zijn en het resultaat van het beleid meetbaar. Maar het leven gaat ook over de manier waarop we met elkaar omgaan. Moet je een prijskaartje verbinden aan mensenlevens?” Lachend: „En zo komen we bij het oude principe van solidariteit. Ik word nog eens een linkse cabaretier.”