Teruglezen: het laatste grote interview met Rascha Peper

Foto Merlijn Doomernik

De zaterdag overleden Rascha Peper heeft haar roman Handel in veren ondanks haar ziekte toch nog af kunnen ronden. Een overwinning, zo blijkt uit het vraaggesprek dat NRC Handelsblad vorig jaar oktober met haar hield. Ze overwoog toen nog om het boek door een andere schrijver af te laten ronden.

Fantoompoezen, de bundel NRC Handelsblad-columns van Rascha Peper die volgende week verschijnt, sluit af met het stukje dat afgelopen vrijdag de lezers van de Achterpagina de stuipen op het lijf joeg. Onder de kop ‘Verstrooiing’ publiceerde de succesvolle 63-jarige schrijfster een kroniek van haar aangekondigde dood: ‘De kaarten zijn geschud en ik moet het spel zonder aas of joker uitspelen. […] Er vallen nog veel praktische zaken te regelen, ik wil nog wat werk afmaken en voor de rest dien ik verstrooiing te zoeken.’ Een paar dagen eerder had ze het vonnis te horen gekregen: alvleesklierkanker.

„Hoe lang ik nog heb, weet ik niet, dat zal geen enkele arts je zeggen,” vertelt ze in de slaapkamer van haar huis aan de Amstel waarover ze zo vaak in haar krantenstukjes heeft geschreven. Opgewekt praat ze over het werk dat ze af wil maken en de ‘verstrooiing’ die ze van haar arts moet zoeken. Naast haar in bed liggen een laptop en deel twee van Oek de Jongs Pier en oceaan. „Een prachtig boek. Gelukkig kan ik nog lezen, als ik dat niet had… Behalve hele korte stukje schrijven, kan ik aan mijn werk eigenlijk niets meer doen, dat is mijn grote frustratie op het ogenblik.”

Zoals altijd ziet ze er stralend en goed verzorgd uit, maar dat is voor een deel schijn, zegt ze. „Ik ben erg vermagerd, omdat ik moeite heb eten binnen te krijgen en te houden.” Pijn heeft ze niet, die wordt bestreden met morfine. Wel ondergaat ze ziekmakende chemokuren. „Het gaat er niet van over, maar je krijgt er tijdwinst door en dat wil ik graag. Ik ga ermee door tot het leven echt helemaal niet meer de moeite waard is.”

De reden dat ze haar ziekte publiek maakte in de krant, is dat ze graag door wil gaan met haar columns op de Achterpagina. „Toen ik hoorde dat ik zo ziek was, dacht ik: ik kan twee dingen doen. Of ik zet er nu een streep onder, maar dat vond ik zonde, of ik ga door. Ik koos voor het laatste, juist omdat het van die behapbare, kleine stukjes zijn. Ik heb weinig uithoudings- en concentratievermogen, maar toch: in een paar dagen staat zo’n column er. Ik heb alweer een nieuwe af.”

Luchtigheid

Sinds ze in 2000 vanuit New York, waar ze toen met haar man woonde, op verzoek stukjes schreef over haar dagelijks leven, is ze doorgegaan met die geestige kronieken. „Altijd ben ik met fictie bezig, maar alleen in die krantenstukjes heb ik het over de onnozele dingen uit de werkelijkheid. Als ik daarmee door wil gaan, vind ik dat ik nu niet kan doen alsof er niets aan de hand is. Dat zou oneerlijk zijn. Vandaar dat ik mijn ziekte heb aangeroerd.”

Over de luchtigheid waarmee ze de tijding aan haar lezers bracht, zegt ze: „Dat is nu eenmaal de toon van die columns en zo wil ik het houden. Er zijn natuurlijk ook over zo erg ziek zijn lichte stukjes te schrijven. Het houdt me een beetje op de been, net als de enorme hoeveelheid reacties die ik heb ontvangen.”

De nare boodschap kwam totaal onverwacht. „Ik zou opgenomen worden in het ziekenhuis om mijn galblaas te laten verwijderen, een vrij onschuldige ingreep. En toen kwam er opeens uit dat het alvleesklierkanker is. Je bent verpletterd. Ik geloof dat mijn man en mijn zoon nog erger geschrokken waren dan ikzelf, maar zo langzamerhand begint het toch wel tot me door te dringen. Met alle verschijnselen die daarbij horen: angstdromen, het amper kunnen geloven maar er toch aanmoeten. Een yogaleraar mailde me: ‘Ik wens je kracht, licht en liefde om de grote transformatie te gaan maken’. Daar schrok ik van. Als iemand me schrijft: ‘o wat vreselijk, ben je niet bang om dood te gaan?’ dan doet dat me niks. Maar dit… Deze verheven benadering maakte me ineens angstig. Ik dacht: o jee – Grote Transformatie, ga ik dat doen? Wat eng!”

Ze vertelt het lachend, onderwijl haar ondeugende dikke grijze kater Boris nauwlettend in de gaten houdend. En na een korte aarzeling: „Laat ik niet overdrijven. In wezen ben ik geloof ik wel nuchter. Ik hoop gewoon dat ik deze laatste periode zo goed mogelijk doorkom en dat ik wat mijn werk betreft nog kan doen wat erin zit.”

Nieuw-Guinea

De grootste ramp vindt ze dat ze niet verder kan met de breed opgezette roman waaraan ze ruim twee jaar heeft gewerkt. „Dat boek zou zo’n 600 pagina’s moeten worden, waarvan ik er ongeveer tweehonderd af heb. Sommige delen spelen zich af in de jaren vijftig, andere in het nu. Een personage, een ornitholoog, treedt alleen maar in het verleden op, als hij op Nieuw-Guinea als een bezetene op zoek is naar het ‘Bruijns boshoen’, een kalkoenachtige vogel, die omstreeks 1880 voor het laatst is beschreven en daarna door blanken niet meer is waargenomen. Nu is dat beest alweer verschillende keren ontdekt, maar in mijn boek hoort die ornitholoog van Papoea’s dat ze iets gezien of opgegeten hebben dat het Bruijns boshoen wel moet zijn. Dus hij rust niet voordat hij zo’n beest te pakken heeft. In mijn boeken drijft een dergelijke hartstocht om iets bijzonders te vinden mensen vaak veel te ver.”

De roman in wording (werktitel: Handel in veren) lijkt haar meer in beslag te nemen dan haar ziekte. Ze kijkt onafgebroken vooruit naar het onvoltooide. Enthousiast beschrijft ze de personages, behalve de in de jaren vijftig vermoorde ornitholoog ook diens weduwe, zoon en kleindochter. „Die zoon is een bioloog, die in de voetsporen van zijn vader wil treden, maar de hele boel bij elkaar fraudeert. Een soort Diederik Stapel. Daar fantaseer ik over. Waarom doet zo’n gevierd wetenschapper zoiets? Mensen die gedreven worden door een hartstocht die te ver gaat, die niet meer gezond is, fascineren me.”

Na een adempauze: „Het feit dat ik mijn boek niet af kan maken, zit me het meest dwars van alles. Ik zou heel graag gewild hebben dat ik deze ziekte twee jaar later gekregen had, want – dat zullen alle schrijvers wel hebben – het laatste boek is wat echt de moeite waard is, daar staat het pas echt allemaal in. Alle kansen die je in die vorige boeken hebt laten voorbijgaan, worden daarin benut. Nu zal het er echt eens mooi en goed en ter zake staan.”

Ze overweegt om een collega-schrijver te vragen haar roman af te maken. „Af en toe denk ik stiekem: wat zou het leuk zijn om de bladzijden die ik heb, plus een script van wat me voor ogen staat, aan iemand te geven die het dan voltooit. Het is spannend omdat de personages die ik bedacht heb, lang niet allemaal zijn ingevuld. Met de kleindochter van de ornitholoog, dochter van de frauderende wetenschapper bijvoorbeeld, heb ik grote moeite. Het is een hedendaagse 22-jarige studente die helemaal ‘in’ de fifties is. Ze draagt van die jurken met petticoat, zoekt vintage meubels, lampjes en alles wat ze te pakken kan krijgen uit de jaren vijftig.”

Getemperde romanticus

We laten schrijvers de revue passeren die de roman zouden kunnen afmaken. „Wie weet valt er de komende weken nog te praten met iemand die dat zou willen. Dat zou ik verschrikkelijk leuk vinden. Maar ik heb nog niemand gevraagd, dus nee, namen noem ik niet.” De schrijver die haar voor ogen staat, moet in elk geval niet te realistisch zijn en in literair opzicht een beetje op haar lijken. „Ik beschouw mezelf als iemand die voortkomt uit de romantische school van Slauerhoff, overigens zonder zijn vermogen zo poëtisch te zijn. Een romanticus voel ik me, getemperd door de nuchterheid van Elsschot en Bordewijk. Die drie beschouw ik zo’n beetje als mijn voorvaderen. Weliswaar ben ik niet zo kortaf, afgebeten en scherp als Bordewijk, maar als schrijver voel ik me verwant met een boek als Karakter. En met de school van Toergenjev. Ik heb altijd veel oude Russen gelezen, die hebben me erg beïnvloed.”

Ook met haar 32-jarige zoon, filmmaker David Verbeek, heeft ze gepraat over manieren om met haar werk aan de slag te blijven. „Hij is eigenlijk nooit zo bezig geweest met mijn boeken, maar nu – geschrokken en sentimenteel – kwam hij op eens met het idee om sommige van mijn verhalen te verfilmen. Vorige week zijn we een paar uur bezig geweest met het uitzoeken daarvan.

‘Hij bleek nogal geïntrigeerd door ‘Notities van een pornograaf’, een oud verhaal uit Oefeningen in manhaftigheid, een bundel van vier novellen. Het speelt zich af begin jaren negentig. Een man, oprichter van 06-sekslijnen, komt opeens in aanraking met een oude antiquair, een wereldvreemde fijnzinnige man, die vroeger bij zijn ouders op bezoek kwam. De pornograaf wordt vanuit zijn botte sekswereld, een beetje tegen wil en dank, de wereld van die antiquair binnengezogen en raakt onder de indruk van diens zuivere, allerminst pornografisch geïnspireerde, verliefdheid op een jonge vrouw. We hebben het ook had gehad over ‘Van het vuil op het hemd van een Montanari’, ik denk één van mijn beste verhalen. Dat gaat over een poppenverzamelaar. Ook zo’n man, net als die ornitholoog uit mijn roman in wording, die bezeten op jacht is naar iets, in dit geval een paar oude wassen poppen.”

Zo te horen is er maar weinig ruimte voor de voorgeschreven ‘verstrooiing’. Veel mogelijkheden heeft Rascha Peper daar ook niet voor. Een bezoek aan haar oude moeder in Driebergen is al een hele onderneming en zelfs een uitje naar het museum gaat niet zonder problemen. „Vorige week ben ik – dat was een grote wens van me – in een rolstoel naar het Stedelijk Museum geweest. Ik was zo benieuwd nadat ik op televisie had gezien hoe het geworden was.

Rolstoel

„’t Viel me al met al een beetje tegen, maar voor mij persoonlijk was het een grote overwinning. En het was ook een idiote belevenis om in een rolstoel te zitten tussen al die bezoekers. Alles hing te hoog voor mij en ik was voortdurend bang dat mensen op me zouden vallen. Mijn man Pieter kocht een flesje water voor me, omdat ik medicijnen moest nemen. Onmiddellijk kwam er een suppoost aansnellen om dat te verbieden. Uiteindelijk, na veel gedoe, viel het flesje nog op de grond ook. Rinkeldekinkel, grote plas op de parketvloer en veel consternatie. Toen we later het zaaltje inkeken waar het ongeluk was geschied, zagen we dat een beambte wijdbeens over de plas heen stond, om andere bezoekers er voor te behoeden er in te stappen.” Grinnekend: „Dat was zo mooi. Die man stond erbij alsof hij het in zijn broek gedaan had.”

Voor we afscheid nemen confronteer ik Rascha Peper met een uitspraak die ze zestien jaar geleden, gezond en wel, in de Marie Claire deed: ‘De essentie van schrijven is schrijven tegen de dood. Je schrijft om te blijven bestaan.’

„Pathetisch”, vindt ze nu. „Maar in de kern is het wel waar. Het is belangrijk om iets te maken dat jou zal overleven. Als mensen zeggen: jouw boeken blijven bestaan, dan ben ik daar trots op. Niet dat ik me veel illusies maak, hoor. Kijk hoe het gegaan is met veel bekendere schrijvers dan ik, zoals Vestdijk, mijn grote voorbeeld. Wie leest hem nog? Maar toch: het is mooi als je iets nalaat waarin je je diepste gedachten, je fantasieën, je kijk op de wereld en je gevoel voor humor hebt gelegd.”