Amsterdam is de kampioen van de rijksmonumenten

Cultureel erfgoed // Nederland krijgt er 89 rijksmonumenten bij Vooral modernisme valt in de smaak

Als het aan minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA) ligt, krijgt Nederland er komend najaar 89 nieuwe rijksmonumenten uit de jaren 1959-1965 bij. De nieuwe lijst met kandidaat-rijksmonumenten is samengesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De lijst gaat nu voor advies naar de Raad voor Cultuur waarna over een half jaar de definitieve vaststelling van de Rijksmonumenten volgt.

Over de criteria voor plaatsing op de lijst vertelde Bussemaker gisteren in het kandidaat-rijksmonumentale Evoluon dat het bij Rijksmonumenten niet alleen gaat om hun architectuurhistorische belang maar ook om ‘wat ze vertellen over de Nederlandse geschiedenis’: „Als stille getuigen houden ze de herinneringen daaraan levend en zorgen ze ervoor dat die verhalen worden doorverteld en herverteld door vele generaties na ons.”

Het eerste dat opvalt aan de lijst rijksmonumenten 1959-1965 is dat het er niet veel zijn. De 89 monumenten komen bij de ongeveer 61.000 rijksmonumenten die Nederland nu al heeft. Dat is weinig voor een periode waarin de Nederlandse bouwmachine, die na WO II in het kader van de wederopbouw op poten was gezet, op volle toeren draaide. Er werden toen alleen al zo’n 100.000 woningen per jaar gebouwd, maar daarvan hebben er maar weinig de voorlopige lijst rijksmonumenten gehaald.

De eerste helft van de jaren zestig was de tijd van het triomferende modernisme in de Nederlandse architectuur. De zakelijke, strakke, modernistische gebouwen, veelal gemaakt van geprefabriceerde onderdelen, pasten niet alleen het beste bij de industriële bouwwijze, maar ook bij het optimisme van de wederopbouw en het ongebroken geloof in de vooruitgang. Het verbaast dan ook niet dat modernistische gebouwen, zoals de Princesseflat van Mart Stam in Amsterdam uit 1960 en de ‘brutalistische’ aula van de TU in Delft van Van den Broek en Bakema uit 1963, goed zijn vertegenwoordigd op de lijst.

Toch heeft ook een aantal traditionalistische gebouwen, die in het begin van de jaren zestig nog veel zijn gebouwd, de lijst gehaald, al zijn er niet al te veel. Eén ervan is het Raadhuis in Hengelo van J.F. Berghoef, een gebouw dat bij oplevering in 1963 door de meeste critici als ‘oneigentijds’ beschouwd. Van Berghoef is ook het hoofdkantoor van de ANWB in Wassenaar kandidaat, evenals enkele gebouwen van katholieke, traditionalistische Bossche-Schoolarchitecten als Nico van der Laan. En hoewel zijn naoorlogse werk niet als zijn beste wordt beschouwd, zijn ook van W.M. Dudok verschillende gebouwen uitverkoren, waaronder zijn Raadhuis in IJmuiden uit 1965.

Het tweede opvallende gegeven van de voorlopige selectie rijksmonumenten is dat er niet minder dan zestien kerken in voorkomen, zoals de schitterende Sint-Gregoriuskerk in Brunssum, ontworpen door de Duitse architect Gottfried Böhm. Vermoedelijk gaat het hier om een defensieve maatregel: kerken uit de wederopbouwtijd verdwijnen de laatste jaren in hoog tempo.

Maar het meest verbazende van de lijst is dat niet Rotterdam, de stad bij uitstek van de wederopbouw en modernistische architectuur, het best is vertegenwoordigd, maar Amsterdam. Nam Rotterdam op de de lijst van naoorlogse rijksmonumenten uit 2007 nog twintig van de 101 gebouwen voor zijn rekening, nu zijn dit er nog maar zes, waaronder De Doelen en twee andere gebouwen van Kraaijvanger en Fledderus. Met elf kandidaten, zoals het voormalige Burgerweeshuis van Aldo van Eyck, is Amsterdam de kampioen Rijksmonumenten 1959-1965.