Turchino

Een arts heeft me verteld dat het lichaam bij extreme kou alle overgebleven warmte en energie naar de belangrijkste lichaamsdelen stuurt: het hart en de hersenen. Aan de afgebladderde wanden hingen ijspegels. Dit was geen verkeerstunnel, dit was een horrorgrot Uit levensbelang. Gistermiddag keek ik naar de verkleumde renners tijdens de wielerklassieker Milaan-Sanremo. Met hun

Een arts heeft me verteld dat het lichaam bij extreme kou alle overgebleven warmte en energie naar de belangrijkste lichaamsdelen stuurt: het hart en de hersenen.

Aan de afgebladderde wanden hingen ijspegels. Dit was geen verkeerstunnel, dit was een horrorgrot

Uit levensbelang.

Gistermiddag keek ik naar de verkleumde renners tijdens de wielerklassieker Milaan-Sanremo. Met hun gevoelloze vingers kregen ze de rits van hun regenjasje niet dicht. Ze konden nauwelijks meer remmen. Een flacon met eten openscheuren duurde minuten.

Het peloton had al in het eerste deel van de koers een ram gehad van het koude weer. Het had gesneeuwd op de Turchino. Het profpeloton kon niet over de berg en werd per bus naar Cogoleto vervoerd. Daar konden ze na een paar uur hun afgebroken race weer nieuw leven inblazen.

Ik ken die Turchino. De afgelopen maand was ik op de berg om opnames te maken voor een documentaire over de wielerklassieker.

Vanuit de warme bloemenrivièra reden we het achterland in. We lieten het zilverblauw van de zee achter ons en trokken met een huurauto een grijzig landschap in. Het navigatiesysteem lachte satanisch en liet ons al snel in de steek.

We gingen op zoek naar de oude tunnel die het peloton elk jaar nam. We zaten op ruim 500 meter hoogte. Langs de weg lag een halve meter sneeuw. We reden stapvoets de tunnel in. De weg was niet breder dan onze auto. Lampen hingen er nauwelijks. We waren blij dat we er uit waren.

Over de Turchino gaan mooie verhalen. Ex-renners vertellen dat je bij het uitrijden de zee kunt zien liggen. Als een fata morgana. Ze denken dat het weer aan de andere kant altijd beter is. Sprinter Mark Cavendish maakte in de tunnel een valpartij mee. Hij herinnert zich de kakofonie door de weerkaatsing van het geluid tegen de muren.

Ik liep de tunnel in. We maakten een film over een lenteklassieker; daarom droeg ik een zomerpak. De stof was zo dun dat ik het display van mijn telefoon door mijn broekzak heen kon zien oplichten. Mijn overjas mocht geen naam hebben.

Al meteen na de eerste meters in de tunnel merkte ik hoe een ijskoude luchtstroom me voortduwde. Aan de afgebladderde wanden hingen ijspegels. Dit was geen verkeerstunnel, dit was een horrorgrot.

Over een paar weken zou het peloton hier doorheen rijden. Hoe hielden ze het warm?

Er kwam een vrachtwagen aan. Ik drukte mijn rug tegen de muur. Het voertuig denderde rakelings voor me langs.

De kou was extreem en nam snel bezit van me. Ik wilde iets schreeuwen. Mijn tong. Wat was er met mijn tong? Hij deed het niet meer. Ik kon mijn woorden niet de juiste letters meegeven. Ik schrok.

Had ik een acute verlamming opgelopen?

Stram liep ik de tunnel uit. Pas in de warme auto kwam mijn spraak weer langzaam terug.

De god van de kou – we noemen hem Turchino – waakte gisteren over de restwarmte in de lijven van de renners. Alles ging naar hart en hersenen, en vooruit, naar de benen. Het was een wonder dat ze bleven fietsen. Het was een wonder dat ze nog konden sprinten. Het was een wonder van een koers.

Koud als de hel. Met een einde om gloeiend heet van te worden.