Staten hebben geen geld meer, dus moeten spaarders nubetalen

Spaarders op Cyprus moeten 5,8 miljard euro bijdragen aan het reddingsplan. Het is voor het eerst dat rekeninghouders rechtstreeks moeten meebetalen. De verwachting is dat het niet de laatste keer zal zijn, want Europese staten hebben niet genoeg geld meer.

De Cyprioten zijn furieus. In Europa, waar je geld veilig zou moeten zijn, omdat er rechtsstaten en depositogarantiesystemen bestaan, worden hun banktegoeden gekort omdat banken in de problemen zijn geraakt.

Het is de eerste keer dat eurolanden deze zogenoemde bail-in gebruiken om de staat in kwestie niet voor alle kosten op te laten draaien. Maar het zal zeker niet de laatste keer zijn. Want in de hele EU geldt zo langzamerhand: de staat heeft geen geld meer.

De deal van zaterdagochtend komt erop neer dat van de 17 miljard euro die Cyprus nodig heeft om niet failliet te gaan, 5,8 miljard door rekeninghouders wordt geleverd. Dat betreft voor 40 procent vermogende Russen, Britten en andere buitenlanders met meer op de bank dan 100.000 euro. Zij krijgen een eenmalige heffing van 9,9 procent. Wie minder dan 100.000 euro op zijn rekening heeft, raakt 6,75 procent kwijt, in ruil voor wat aandelen in de betreffende financiële instelling. Of dit laatste ook geldt voor de eerste groep, is nog onduidelijk.

Ook van de rente op deposito’s wordt wat afgeroomd. „Dit is een bijdrage aan de financiële stabiliteit van Cyprus”, zei Jeroen Dijsselbloem, minister van Financiën (PvdA) en tevens eurogroepvoorzitter. „Het lijkt eerlijk om alle rekeninghouders een bijdrage te vragen.” Het alternatief is dat de banken omvallen. Dan zijn rekeninghouders alles kwijt.

Het scenario dat de eurogroep voor Cyprus heeft gekozen, is deel van een trend. Bij Spaanse banken zijn het afgelopen jaar aandeelhouders gekort. Bij SNS Reaal, in Nederland, gebeurde hetzelfde: Nederland liet twee banken die al uit de staatsruif eten, via een eenmalige heffing meebetalen voor de redding van SNS.

Eerst wilde Dijsselbloem ABN Amro en ING stukken van SNS Reaal laten absorberen. Maar die mogen van de Europese Commissie geen acquisities doen zolang ze staatssteun krijgen. „Wij wilden verder gaan”, bevestigde thesaurier-generaal Hans Vijlbrief laatst op een seminar over staatssteun aan banken. Het oplossen van de crisis bij Europese banken is moeilijk, aldus Vijlbrief. „Hoe je het ook doet, het is impopulair”, zei hij. „Maar de staat heeft het geld niet meer. We hebben bail-in nodig.”

Almunia, die waakt over de interne markt maar ook de financiële stabiliteit in de gaten moet houden, sprak hem niet tegen. Maar Sharon Bowles, voorzitter van het economisch en monetair comité in het Europees Parlement, zegt dat de Cyprusdeal de interne markt vernietigt. „Depositogaranties zijn bedacht om te zorgen dat burgers in de Europese Unie hun geld niet van het ene land naar het andere verhuizen”, e-mailde ze. „Dit is kapotgemaakt.”

Uit statistieken van de Europese Commissie blijkt dat overheden sinds 2007-2008, toen de kredietcrisis Europa bereikte, 4.900 miljard euro in de financiële sector hebben gestoken. Dat is 39 procent van het bruto binnenlands product (bbp) van alle EU-landen. Hiervan is 1.700 miljard echt gebruikt (13,5 procent van het bbp), de rest zijn garanties. In Griekenland, Cyprus en Ierland krijgt 92 à 93 procent van de banken staatssteun. In België is dat 90 procent, in Portugal 60. Dan volgt Nederland met ongeveer 55 procent – maar als de garanties worden meegeteld, loopt dit op tot 80 procent.

De eurocrisis is hier een direct gevolg van. Omdat staten astronomische bedragen in de banken staken, stegen hun schulden en begrotingstekorten. Daarvoor werden zij gestraft door beleggers, die alleen nog geld wilden uitlenen tegen hoge rentes. Sommige regeringen besloten daarom van nationale banken te lenen, tegen superlage rentes uiteraard: politici en bankiers zijn in veel hoofdsteden close genoeg om dit te regelen. Maar hoe meer de staat in de problemen kwam, hoe meer hij de banken meetrok. Vandaar dat we nu én met een eurocrisis én een nieuwe ronde bankfaillissementen zitten.

Om die spiraal te breken, besloten regeringsleiders van de eurolanden vorig jaar een bankenunie te vormen. Met één toezichthouder en één resolutiesysteem dat moet zorgen dat niet de staat in actie komt als een bank wankelt, maar een Europese instelling – met geld uit een fonds dat door banken wordt gespekt.

Bail-in staat dus allang op de Europese agenda. Het moet beginnen in 2018. Of eurolanden dit halen, weet niemand; de bankenunie loopt vertraging op. Maar ook Jean-Claude Trichet, die ECB-president was tijdens de kredietcrisis, zei vorige week op het seminar: „Bail-in moet over heel Europa toegepast worden.”

Vorig jaar, toen duidelijk werd dat de Griekse schuld te hoog werd om af te lossen, bestudeerden nationale financiële experts allerlei scenario’s voor schuldreductie. Eén daarvan was de bankheffing. Velen pleitten hiervoor, omdat dit waarschijnlijk minder paniek zou geven in andere eurolanden dan andere opties.

Maar de ministers kozen wel een andere optie: haircuts voor obligatiehouders van Griekse schuld. Dat raadden de specialisten af, omdat dit wél paniek zou geven. Zij kregen gelijk. De eurocrisis escaleerde. Beleggers vluchtten de zuidelijke eurozone uit. Cypriotische banken kregen harde klappen. Daarom vroeg Cyprus in juni leningen van het noodfonds. Volgens een hoge Europese functionaris zal dit de geschiedenis ingaan als „de grootste blunder die we gemaakt hebben”.

Vandaar dat de bankheffing nu is afgestoft voor Cyprus. Omdat de banksector op Cyprus exorbitant is (8 keer het bbp), levert zo’n heffing veel meer op dan in Griekenland, waar banken klein waren. Cypriotische banken geven weinig obligaties uit, dus haircuts voor obligatiehouders hebben hier weinig effect.

In zekere zin mogen de verbolgen Cyprioten van geluk spreken. Russische rekeninghouders betalen uiteindelijk véél meer dan zij. En toen de vergadering van euroministers vrijdag begon, eisten de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schauble en IMF-baas Christine Lagarde aanvankelijk nog een heffing van 40 procent. Voor alle rekeninghouders.