SC Veendam: overgeleverd aan steigerbouwer en pompenverhuurder

En weer staat Veendam op de rand van faillissement. Voortbestaan van de arme voetbalclub is afhankelijk van de vrijgevigheid van plaatselijke zakenlieden.

Als er bij het waterpompverhuurbedrijf van Bertus Rossing iemand strak in het pak zaken komt doen, is dat een minpuntje. „Ik was een keer buiten op mijn knieën de olie aan het verversen. Komt er zo’n vent uit de auto stappen, doet zijn das nog even recht en stapt zo over mijn benen heen naar het kantoortje. Ja, daar bleek dat hij mij moest hebben. Dat is geen deal geworden.”

Rossing is een van de mannen op wie de supporters van de noodlijdende eerstedivisieclub SC Veendam hun hoop hebben gevestigd. Samen met lokale ondernemers als Johan Schomaker (mannenmode), Rob Wierenga (automatisering) en hoofdsponsor Koos Gjaltema (steigers en hoogwerkers) moet de pompenverhuurder dezer dagen besluiten of hij nog één keer geld in de club steekt. Nu al sponsort hij de club met tienduizend euro, en nog eens zo’n bedrag voor de spelersselectie.

Vorige week werd bekend dat Veendam een half miljoen euro schuld heeft, waarvan drie ton aan de Belastingdienst. De club vroeg uitstel van betaling aan, en bewindvoerder Gerard Breuker onderzoekt of hij genoeg geld bij elkaar kan krijgen om een faillissement af te wenden. Drie jaar geleden werd opheffing van de club ternauwernood voorkomen.

Mocht Breuker daar nu niet in slagen, dan is Veendam de vierde club in drie jaar tijd – na HFC Haarlem, RBC Roosendaal en AGOVV – die verdwijnt uit de eerste divisie. De op een na hoogste voetbalcompetitie van Nederland heeft het zwaar. Het blijkt voor veel clubs lastig om voldoende inkomsten te genereren om betaald voetbal te kunnen spelen.

Rossing noemt het voetbal „doodziek”. De KNVB eist dat clubs in de eerste divisie minimaal zestien contractspelers in dienst hebben, en ook de accommodatie moet voldoen aan bepaalde richtlijnen. Rossing: „Door deze eisen kan de begroting van een club in de eerste divisie in de praktijk niet onder de 1 miljoen euro liggen. En dan nog verdienen veel spelers het minimumloon.”

In de topklasse, één niveau lager, zijn de eisen minder strikt. De begrotingen zijn lager, veel spelers werken naast het voetbal. Daardoor zijn ze financieel vaak beter af dan spelers in de eerste divisie, aldus Rossing. „Ik ken een jongen die van FC Den Bosch naar een amateurclub in de hoofdklasse ging. Daar verdiende hij meer geld! Volgens mij moeten we ook bij Veendam met semiprofs werken.”

Het is historisch gezien behoorlijk toevallig dat Veendam, een gemeente met nog geen 28.000 inwoners, een club in het betaald voetbal huisvest. Tot aan de invoering van het profvoetbal had Veendam, opgericht in 1894, onder de naam Look-Out, alleen in 1932 iets noemenswaardigs gepresteerd. De club werd in dat jaar kampioen van het Noorden en mocht daarom meestrijden om het kampioenschap van Nederland. Wedstrijden tegen onder meer Ajax en Feyenoord werden ruim verloren.

Toen in 1954 het profvoetbal werd ingevoerd, was Veendam precies op het juiste moment gepromoveerd van de tweede naar de eerste klasse. Ook de grote schifting van 1971, toen de tweede divisie werd opgeheven, overleefden de Oost-Groningers. Hoogtepunten in de clubhistorie waren de promoties naar de eredivisie, in 1986 en 1988. Beide keren degradeerde Veendam al na één seizoen.

Het bekendst is de club van de naam van het stadion: De Langeleegte. Anders dan velen denken, duidt de naam niet op een leeg gebied, zegt Willem Molema, oud-journalist die een boek schreef over de clubhistorie. „Leeg betekent hier ‘laag’. De Langeleegte was een uitvalsweg naar de stad Groningen, omringd door weilanden, grachten en slootjes.” Voor andere clubs heeft De Langeleegte een „mythische klank”, zegt Molema. „Dat komt door mensen uit de Randstad. Wij vinden het niet ver naar Amsterdam, maar die mensen vinden het een gigantisch eind hiernaartoe. Vanaf Zwolle heb je alleen nog maar een lange vierbaansweg.”

Simon Zoetebier was voorstopper van Veendam tussen 1963 en 1967. Een uur voordat de wedstrijd tegen FC Oss begint, op vrijdagavond, vertelt hij over de legendarische keeper Frans de Munck, bijgenaamd ‘De Zwarte Panter’, die hem de huid vol schold als hij niet goed stond opgesteld bij een vrije trap. En over cultheld Jan Blijham, de linksback die zo hard was dat een scheidsrechter eens aan Zoetebier vroeg of hij alsjeblieft die back van het veld wilde halen.

Voor balletjes achter het standbeen komen de mensen nog steeds niet naar het stadion, zegt Molema. „Oost-Groningers zijn harde werkers. Dat willen ze terugzien op het veld, liever dan techniek. Mensen houden niet van praatjesmakers. Nait soezen moar broezen, zeggen ze hier.” Het is de Veendamse variant op ‘geen woorden maar daden’. De tegenwoordige held van de supporters is Angelo Cijntje, een van oorsprong Antilliaanse rechtsback die bezig is aan zijn elfde seizoen bij Veendam. Molema: „Die kom je vier keer tegen op het veld. Hij is snel en werkt keihard. Jongens van de streek heb je bijna niet meer in het elftal, maar Cijntje is zeer betrokken bij de club.”

Op deze vrijdagavond zijn 2.478 mensen naar het stadion gekomen. Aan de lange zijden van het besneeuwde veld staan grote tribunes, aan de korte kanten vijf rijen stoelen met een afdakje erboven. De twintig fans van FC Oss scanderen „nooit meer Veendam”. Maar Veendam wint met 2-1 en staat tiende, met uitzicht op de play-offs om promotie.

Nu het geld nog. In de businessclub genieten tientallen geldschieters van de bitterballen die worden rondgebracht door interim-directeur Piet Scholtens. Pompenverhuurder Rossing kijkt om zich heen. „Zie je die blonde vrouw? Die heeft haar eigen incassobureau. Ik ken haar als medesponsor van FC Groningen. Daar kan een investering ook echt geld opleveren. Zo hebben we winst gemaakt op de transfers van Luis Suárez, Tim Matavz en Dusan Tadic. Die winst steek ik voor een deel in Veendam, en ik heb haar overgehaald om hetzelfde te doen.”

Het zou wel jammer zijn, zegt Rossing, als dit allemaal verloren gaat. „De businessclub is net voor dertigduizend euro verbouwd, betaald door een sponsor.” De kans op redding van de club schat hij op „fiftyfifty”, maar de glimlach wijkt geen moment van zijn gezicht. „We moeten het nu oplossen. En dan meteen voor tien jaar uit de problemen zijn.”