Opgefokte Oedipus dempt het drama

Theater

Oedipus bij het Ro Theater. Gezien: 15/3, Rotterdamse Schouwburg. Inl.: rotheater.nl**

Hij staat met zijn blote buik naar voren gestoken, Nasrdin Dchar als de jonge koning Oedipus. Zijn blauwe bodywarmer hangt open en onthult een paarse panterslip. Lange blonde pruik, rode zonnebril – een neo-hippie op een dancefeest. De plaag is uitgebroken in Thebe, zegt Oedipus in zijn feestoutfit, de tijden van voorspoed zijn voorbij. „Alles verandert in zijn tegendeel. Alles draagt zijn tegendeel in de kiem in zich. En zo is onze rijkdom ziek geworden.”

Dat inzicht, Oedipus’ nineties-look, het zijn subtiele verwijzingen naar onze tijd in Oscar van Woensels nieuwe bewerking van Sophokles’ klassieke tragedie bij het Ro Theater. Maar regisseur Alize Zandwijk wil aan de hand van het lot van Oedipus, die, onwetend, zijn vader doodde en met zijn moeder sliep, een ander verhaal vertellen: een universeler, algemener verhaal. Wie zijn we? Kunnen we ‘onszelf’ zijn? Wordt ons lot niet bepaald door de geschiedenis vóór ons? Bepaalt die niet de toekomst?

Om dat thema te benadrukken wisselt de regie het drama af met een intermezzo waarbij een tweekoppig Grieks koor (Jacqueline Blom en Yahja Gaier) het publiek rechtstreeks vragen stelt over zijn identiteit: „Ben je merkgevoelig? Als je niet merkgevoelig bent, loop je daar dan mee te koop?” Een interessante poging om het publiek tot introspectie en identificatie met Oedipus te bewegen, maar echt confronterend worden de vragen nooit. De scène blijft een losse flodder, die verder nauwelijks een relatie aangaat met de werdegang van Oedipus.

Ook het drama zelf komt niet echt van de grond. Dchar wil de jonge, overmoedige koning fel en opgefokt spelen, maar is eerder hoekig en stram – alsof hij op dat dancefeest te veel speed en coke heeft gebruikt. Hij spuugt de woorden uit als pruimenpitten, in mitrailleurtempo, tak-tak-tak, zonder enige variatie of ontwikkeling. Pas in de scène waarin Oedipus en zijn vrouw Iocaste de ware aard van hun relatie ontdekken (zij heeft hem gebaard, maar hij is haar als baby afgenomen) raakt het drama even echt – mede dankzij de hier voortreffelijke Fania Sorel als Iocaste. Het raadsel van haar allesoverweldigende liefde voor deze man is opgelost, de waarheid schokkend en afschuwelijk. Maar dat maakt haar liefde er niet minder om.

Zandwijk heeft ervoor gekozen de grote tragedie van een luchtige toon te voorzien. Dat lukt soms: Herman Gilis is een prachtige dronken Laios, Forel wisselt grote smart af met een geestige, ironische scherpte, en vooral Yahya Gaier is hilarisch in een reeks bijrolletjes, die hij vrijwel zonder tekst maar met een zeer expressieve mimiek steeds succesvol van een uitroepteken voorziet.

Te vaak echter slaat luchtig om naar kinderlijk, mede door discutabele decorvondsten als een gigantische dode rat en een reusachtige mobile, zoals je die ook boven de kinderwieg ziet. Tel dat op bij het clowneske spel van Gaier en je krijgt het gevoel dat je bij Oedipus, de familiemusical zit. Al is de muziek (van en door Maartje Teussink) hier wel beter.

Van Woensel combineerde twee Oedipus tragedies: Oedipus Rex en Oedipus in Kolonos, die middels flashbacks en -forwards slimme doorkijkjes bieden naar een groot deel van de Griekse mythologie. Dat onderstreept ook weer het leidende thema: alles gaat door en ons lot ligt al vast – er is geen ontkomen aan.

Houdt Zandwijk het eerste deel grotendeels opgewekt – hier zien we immers de jonge Oedipus, het tweede deel, met Jack Wouterse als oudere Oedipus, is ingetogen en bedaagd. De kinderlijke decorstukken zijn verdwenen, evenals de humor.

Wouterse vertolkt de berusting van een oude man die zich verzoend heeft met zijn lot en de ras naderende dood. Hij doet dat met een aards soort achteloosheid die eerst verrassend is, maar gaandeweg toch te onnadrukkelijk om de aandacht vast te houden. Dan wreekt zich ook de tekst, die hier een uiterst warrige wending neemt; een mix van onbegrijpelijke filosofische associaties en lelijke The Power of Now-clichés: „Is de creatie van onszelf niet per definitie een schijn-zelf? Een niet-jij, de jij waarvan je denkt dat jij het bent […] We splijten de jij van de niet-jij, en we vergeten dat de jij bestaat.”

Daarna kan het mooie slotbeeld, van een reeks doden die tot in de eeuwigheid door zal gaan, de voorstelling niet meer redden.