Hongaarse ziel neemt wraak op liberale tijd

In Hongarije woedt een cultuurstrijd tussen stad en provincie. De stad is aan de verliezende hand. Premier Orbán baseert zijn macht op de boze burger in de provincie.Marloes de Koning, Boedapest

Een lange rij mensen vult op maandagmorgen de straat voor het loket van het Nationaal Theater aan de Andrássy út, een sjieke winkelstraat in het centrum van Boedapest met forse negentiende eeuwse panden en een imposant operagebouw. „Dit is onze laatste kans om Róbert Alföldi en daarmee onafhankelijk theater te zien”, zegt Krisztina Kecskes-Kovács, een psychologe die staand een boek leest tijdens het wachten. Ze heeft tegen haar baas op de universiteit gezegd dat ze een paar uur later komt om theaterkaartjes te kunnen kopen. Hij had alle begrip.

De linkse en liberale elite in Boedapest heeft haast en grijpt elke kans op een voorstelling, voordat ook het culturele leven haar ontglipt. Nadat de rechts-conservatieve regering sinds 2010 haar greep verstevigde op de rechtspraak, media, onderwijs en economie, zijn nu de culturele instellingen aan de beurt. Musea en theaters krijgen een andere leiding. Subsidies worden uitgedeeld aan kunstenaars die nationale waarden hooghouden. Wie van buiten de hoofdstad komt, heeft daarbij een streepje voor.

Dit is daarom het laatste seizoen van theaterdirecteur en acteur Róbert Alföldi: een moderne, vrije theatermaker. Provocerend soms. Hij werd in 2008 voor vijf jaar benoemd tot directeur van het Nationaal Theater, toen de socialistische partij aan de macht was. Zijn opvolger Attila Vidnyánszky wil met de programmering het woord ‘nationaal’ in de naam van het theater weer eer aan doen. „Behalve innovatie, zal ook het behoud van traditie tellen, de Hongaarse ziel en de Hongaarse idee zullen aanwezig zijn”, zei hij in een interview.

In de rij voor de kaartjes krijgt Kecskes-Kovács er rillingen van. „Rechts en radicaal”, huivert ze, terwijl ze een plaatsje verder schuifelt. „Dit deel van het leven zou vrij moeten zijn van politiek.”

Vidnyánszky is zowel een nationalist als een theatermaker met een goede reputatie. Hij gaf de afgelopen jaren leiding aan een theater in Debrecen, een levendige universiteitsstad in het oosten van het land. Hij komt van de Hongaarse minderheid in buurland Oekraïne. Alleen al door zijn levensloop symboliseert hij het perifere Hongarije. Het Hongarije dat zich aan het zicht onttrekt van de meeste toeristen, die alleen de kosmopolitisch ogende hoofdstad Boedapest aandoen. Het Hongarije van uitgestrekt plat land, met zelfgebouwde huizen en spanningen tussen de grote groep ouderen en jongere werkloze Roma. Het ‘andere Hongarije’, dat ook te zien is op een solotentoonstelling van beeldend kunstenaar Imre Bukta, nu in de Kunsthal in Boedapest. Met satellietschotels van klei, kettingzagen, genetisch gemanipuleerde maïs en roestige messen voor de varkensslacht brengt hij het Hongaarse platteland in beeld. Simpel en dichtbij de natuur. Maar ook achterdochtig en bijgelovig.

Dat is het Hongarije van de regeringspartij Fidesz. De partij vertegenwoordigt de grote groep Hongaren die zich voortdurend achtergesteld, onderdrukt en miskend voelen. Mensen die zichzelf zien als de eeuwige verliezers van de geschiedenis, die ook in de transitie naar een markteconomie het nakijken hadden doordat banen verdwenen, terwijl een liberale elite regeerde en buitenlandse bedrijven een groot deel van de markt in handen kregen.

Boedapest was in die jaren negentig een optimistische stad, die geloofde in het liberale tijdperk. Maar tegenwoordig is de teleurstelling ook hier zichtbaar op straat. Sjofele en sombere mensen, in een rijk decor van imponerende art deco en barokke gebouwen. Bij tramhaltes leuren oudere vrouwen met takken met wilgenkatjes, of grote katoenen onderbroeken en gehaakte kleedjes. Een man stalt zijn aanbod aan pleisters uit op een omgekeerde kartonnen doos.

De conservatieve partij Fidesz leunt op deze oudere kiezers, op gelovigen, op plattelandsbewoners en op de kleine man in de stad. „Wij zijn de onderdrukten, maar nu hebben wíj de macht”, zo omschrijft Máté Gáspár, directeur kunst en cultuur bij de Open Society Stichting in Boedapest de wrokkige emotie. Fidesz versterkt dat door op strategische plekken eigen mensen te benoemen die ook zo denken. Het liefst met een sterk mandaat en voor zo lang mogelijk. En dat kan, want Fidesz beschikt sinds 2010 over een tweederde meerderheid in het parlement, zodat oppositie en grondwet geen sta-in-de-weg vormen.

De schok die de machtsovername van Fidesz teweeg brengt onder Europees georiënteerde intellectuelen in Hongarije is groot. In de jaren negentig was Hongarije de voorloper in de regio. In Joegoslavië was het burgeroorlog. Roemenië had bloedig afgerekend met het regime-Ceausescu. Maar Boedapest leek hooguit een likje verf nodig te hebben om weer mee te doen in het Europese concert. De omwenteling van 1989 was geleidelijk en wordt wel de ‘onderhandelde revolutie’ genoemd. Geen coup of bloedvergieten, maar rondetafelgesprekken in een intellectueel, haast studentikoos klimaat. Studenten en journalisten uit West-Europa konden zich ermee identificeren. „Bij ons was de levensstandaard het hoogst. We waren het meest liberaal en het meest democratisch”, zegt socioloog János Ladyani van de Corvinus-universiteit in Boedapest weemoedig.

Vierentwintig jaar later is de vraag: waar ging het mis met Hongarije? Armoede en werkloosheid stijgen, evenals de kloof tussen arm en rijk. Veel mensen hebben schulden in andere valuta, die de afgelopen jaren onbetaalbaar werden door de zwakke Hongaarse forint. De Hongaarse regering ligt in Europa onder vuur vanwege aanvallen op de persvrijheid, de juridische macht en pogingen Hongaarse ondernemers te steunen en het buitenlandse bedrijven lastig te maken. Jongeren – vooral hoogopgeleiden – maken en masse plannen om te vertrekken, hun teleurgestelde ouders blijven achter in een snel vergrijzend land.

Premier Viktor Orbán geeft de schuld aan de liberalen en socialisten die de afgelopen twintig jaar het bestuur domineerden. Ze hebben in zijn ogen te veel in hun Boedapester koffiehuizen gezeten en hun oren laten hangen naar West-Europese en Amerikaanse adviezen over privatiseringen en liberaliseringen. Tijdens hun gelanterfant en praatjes vol abstracte idealen is Hongarije verworden van de voorloper in de regio tot de achterhoede, met de hoogste staatsschuld van allemaal.

Bijna vierentwintig jaar na het einde van het communistische regime in Hongarije draait de politiek niet meer om die omwenteling zelf, maar om waar die scheef ging. Er is een pril academisch debat waarbinnen de overgang naar markteconomie en democratie wordt geanalyseerd. Agnés Gagyi, een jonge Hongaars-Roemeense wetenschapper, leidt tweewekelijks een ronde tafel in een coöperatief café in Boedapest . Daar wordt dan gediscussieerd over de Hongaarse overgang naar markteconomie en democratie. Gagyi vindt dat de democratie in de jaren negentig hol was. „Mensen hadden te lijden onder het ongecontroleerde kapitalisme. Er was geen evolutie van ondernemerschap, er waren alleen brute privatiseringen. Maar echt aan de bevolking vragen wat zij wilden, deed je niet. Want je wilde democratie en vrije markteconomie als totaalpakket invoeren. Over economisch leed praten, werd gelabeld als anti-kapitalistisch en populistisch.” Als gevolg daarvan is democratie voor een deel van de bevolking synoniem aan economisch leed, zegt Gagyi.

Gábor Vona, de leider van de ultranationalistische partij Jobbik, zei een jaar geleden dan ook: „Ik ben geen democraat”. Meestal wordt alleen dat deel van de zin geciteerd. Achter de komma volgde: „want democraten zijn alleen uit op winst.” Jobbik werd bij de verkiezingen in 2010 de derde partij met 17 procent van de stemmen. Extreem-rechts vertelt als enige het verhaal van „hoe onze fabriek verdween”, legt Gagyi uit. De redenering van Jobbik is vaak antisemitisch: ‘democratie = economisch leed = joods kapitaal’.

Bijna niemand heeft het nog over mensenrechten en discriminatie, sinds het verdwijnen van de liberale partij. Die partij is juist aan haar oriëntatie op mensenrechten ten onder gegaan, denkt Mátyás Eörsi, een van de oprichters en voormalig parlementariër. Hij vertelt over een homoseksueel die afknapte op de liberale partij, omdat die het te veel over de mensenrechten van zigeuners had.

„We hadden gelijk om te proberen Roma te beschermen”, zegt Eörsi. „Maar het was geen succesvolle aanpak om naar dorpen te gaan waar dieren worden gestolen en waar geweld is en het dan alleen maar over hun mensenrechten te hebben. We hadden ook moeten zeggen ‘we beschermen jullie’.” Eörsi houdt zich tegenwoordig bezig met het bevorderen van democratie in andere landen.

„Intellectuelen, links en rechts, hebben steken laten vallen”, zegt Lászó Rajk, architect, vroeger een liberaal politicus en dissident, zittend in zijn huiskamer in een prachtig pand in de vroegere Joodse wijk in het centrum van Boedapest. De intelligentsia had volgens Rajk actiever mee moeten doen aan het opvoeden van kritisch denkende democratische burgers. „In twintig jaar democratie hebben de Hongaren geen immuniteit tegen populisme ontwikkeld. Hoe kunnen mensen het geloven als een politicus belooft een miljoen banen te creëren? Zoiets hoor je verdacht te vinden.” Hongaren willen het graag geloven.