Grigory Sokolov meesterlijk in Beethovens pathos

Grigory Sokolov. Serie Meesterpianisten. 17/3 Concertgebouw A’dam.

De Russische meesterpianist Grigory Sokolov (1950) is al lange tijd een van de Amsterdamse publiekslievelingen. Naar zijn recital keek menig fan speciaal uit vanwege Beethoven’s Hammerklavier-sonate, die door het haast onspeelbare slotdeel slechts bij hoge uitzondering live te horen is.

Sokolovs spel kenmerkt zich door de dramatische intensiteit: onuitputtelijke energie, gespierd toucher en grote dynamische verschillen.

Precies deze eigenschappen, die Sokolov voor componisten als Prokofjev of Rachmaninoff de ideale vertolker maken, spelen hem soms parten in intiemere muziek.

Schuberts beroemde Vier Impromtpus opus 90 ging Sokolov te lijf met een directe, haast geheimloze toon. Met expansieve crescendi en monumentale fortissimi doorbrak hij Schuberts mijmerende intimiteit. Ook een van de ongeschreven wetten van de belcantostijl – hoe expressiever, hoe zachter – ontweek Sokolov.

Meesterlijk was het Scherzo uit de Hammerklavier-sonate. Vaardig jonglerend met de schichtig speelse motiefjes creëerde Sokolov precies de sfeer van onderhuidse onrust waar dit deel om vraagt. Uiterst dramatisch klonk ook de hels moeilijke slotfuga. Furieuze toonladderfiguren, met weinig pedaal en détaché gespeeld, tuimelden in bezinningsloze razernij over elkaar heen. Geen pianist weet Beethovens prometheïsche pathos beter te verklanken.

In het beroemde Adagio, een van Beethovens meest verstilde, contemplatieve composities, zocht Sokolov de expressie wederom in het grote gebaar. Atmosferische begeleidingsnoten, die als een deken van droefheid de verstilde, desolate melodie zouden moeten dragen, kregen van Sokolov alle een eigen dramatische lading mee. Door in elke noot expressie te willen leggen, boette zijn spel juist aan zeggingskracht in. De kunst van het understatement leek aan Sokolov weinig besteed.