Geen ruimte voor vrienden

In het Neanderthalerbrein neemt het visuele centrum nogal wat ruimte in Voor inlevingsvermogen was weinig plek De naaste kring van de Neanderthaler zou maar uit 115 personen bestaan

Redacteur Wetenschap

Neanderthalers hadden weinig vrienden. Ze konden zich minder goed inleven in anderen en leefden in kleinere groepen dan Homo sapiens. Deze conclusies leidt antropoloog Eiluned Pearce allemaal af uit de inrichting van hun hersenen. Het visuele centrum van de Neanderthaler was veel groter dan het onze, waardoor er minder breinruimte overbleef voor andere hersenfuncties, zoals inlevingsvermogen. Vorige week beschreef zij haar onderzoek in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the Royal Society B, met evolutionair psycholoog Robin Dunbar en paleontoloog Chris Stringer.

‘Grote ogen deden Neanderthaler de das om’, zou je kunnen concluderen. Vorige maand waren het nog de konijnen. Toen schreven wetenschappers in het Journal of Human Evolution dat Neanderthalers alleen maar oog hadden voor grote prooidieren en kleiner wild lieten lopen, waardoor ze in de problemen kwamen toen de grote prooien op waren.

De meeste Neanderthal-kenners zeggen overigens dat er waarschijnlijk niet één reden was waarom deze naaste verwant van de moderne mens zo’n 35.000 jaar geleden uitstierf. „Het had best gekund dat wij nu allemaal Neanderthalers waren en ons afvroegen waarom toch die Homo sapiens verdwenen is”, vatte Chris Stringer onlangs de toestand samen, in zijn Hoboken-lezing in het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam.

De meest algemene verklaringen voor het uitsterven van Neanderthalers komen neer op fatale klimaatschommelingen of competitie met Homo sapiens. Met hun betoog over vrije breinruimte vallen Peace en collega’s in dat laatste kamp.

Voor haar onderzoek bestudeerde Pearce de oog- en schedelinhoud van een dozijn Neanderthalers en tientallen Homo sapiens. Daaruit bleek dat Neanderthalers veel grotere ogen hadden dan sapiens uit diezelfde tijd. Dat betekent ook dat de visuele schors in hun brein meer ruimte innam. Waarschijnlijk waren de grote ogen een aanpassing om ook in het donkere Europa goed te kunnen zien en jagen. Vorig jaar liet Pearce al zien dat moderne mensen die op hoge breedtegraden leven grotere ogen en hersenen hebben.

De schedelvorm is duidelijk verschillend: onze schedels zijn voetbalrond, die van Neanderthalers uitgezakt. Maar toch vond Pearce geen verschil in absoluut hersenvolume. Schedels van Neanderthalers en oude Homo sapiens hebben beide een gemiddelde herseninhoud van ruim 1.400 cm3. Wel waren er meer uitschieters onder de Neanderthalers. De grootste hersenpan had een inhoud van 1.740 cm3.

Maar wat deden Neanderthalers met die inhoud? Pearce trok de grootte van de visuele schors van de totale herseninhoud af, en corrigeerde dit getal voor lichaamsgrootte: de zware en robuuste Neanderthalers hadden sowieso meer breinmassa nodig om hun spieren en pezen aan te sturen dan de ranke sapiens. Na deze correcties bleef er minder over van de Neanderthalerhersenen: 1.134 versus 1.332 cm3. „In hersenen van Neanderthalers was simpelweg minder plek voor andere hersenfuncties”, zegt Pearce aan de telefoon.

Ze betoogt dat het Neanderthalers vooral aan sociale vaardigheden ontbrak. Pearce: „De grootte van de frontale kwab geeft een indruk hoeveel sociale contacten een primaat kan onderhouden.” Dunbar berekende in 1992 al op basis van frontaalkwabben en groepsgrootten van verschillende primaten dat deze grens voor moderne mensen rond de 150 personen ligt.

Pearce liet een variant van deze methode los op Neanderthalers, gebaseerd op het totale hersenvolume. Moderne mensen hadden volgens deze berekening ruimte voor 144 personen in hun naaste kring, Neanderthalers voor 115. „De eerste moderne mensen wisselden al symbolische kunstvoorwerpen met naburige groepen uit, soms over grote afstanden”, zegt Pearce. „Neanderthalers deden dat niet. Blijkbaar hadden ze daar geen behoefte aan.”

De kleinere Neanderthalergroepen waren daardoor kwetsbaarder, denkt Pearce. Voor de Neanderthalers was het moeilijker om een partner te vinden, voedsel te delen en om kennis te behouden en over te dragen op volgende generaties. „Ze hadden minder vrienden om op terug te vallen in tijden van nood.”