Feestje in Rome om Europese samenwerking

Rome is een prettige stad om een feestje te vieren. Duizenden gelovigen drongen vorige week samen op het Sint Pietersplein om de nieuwe paus te verwelkomen. Ruim een halve eeuw geleden zat de stemming er ook goed in. ‘Voor Rome is de dag van gisteren een feestdag geweest, ook al was het de eerste regenachtige grauwe dag na een hele maand van zonnig lenteweer’, schreef het Algemeen Handelsblad op 26 maart 1957. ‘Maar van enkele openbare gebouwen wapperden de vlaggen, schoolkinderen hadden vrijaf om deze belangrijke gebeurtenis nooit te vergeten en veel Romeinen waren er bijzonder trots op, dat het Capitool na zoveel eeuwen weer het middelpunt werd van West-Europa, zij het dan ook maar voor enkele uren’.

Nu is het nauwelijks meer voor te stellen, maar de vreugde betrof de plechtige ondertekening van het Verdrag van Rome, die de oprichting bekrachtigde van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de voorloper van de Europese Unie. Maar ook in 1957 was het Europees idealisme niet grenzenloos. ‘Bij de pogingen tot ‘Europese integratie’ blijft het nationaal belang een grote rol spelen. De plannen voor een gemeenschappelijke markt zijn gedenatureerd door de eisen, welke Frankrijk stelde. Dit land tracht vooral andere Europese naties te mobiliseren voor versterking van zijn eigen economische positie, en voor het bevorderen van de exploitatie der Franse gebieden in Afrika’, schreef het Algemeen Handelsblad in het Dagelijks Commentaar.

Voor Duitsland golden weer andere overwegingen. ‘Kanselier Adenauer – de enige regeringsleider, die te Rome aanwezig was – heeft daar de hoop uitgesproken, dat weldra zeventien miljoen Duitsers achter het ijzeren gordijn deel zouden kunnen uitmaken van West-Europa. Het is voorlopig een vrome wens.’

Het fundament van de EEG was twee jaar eerder gelegd door de ministers van Buitenlandse Zaken van de zes lidstaten van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal in Messina. ‘Het slot-communiqué is bij het ochtendkrieken van Vrijdag gereed gekomen en wordt door de Nederlandse afgevaardigden bevredigend genoemd’, aldus de correspondent van de Nieuwe Rotterdamse Courant op 3 juni 1955.

Nederlandse waardering betrof vooral de opstelling van Italië, meldde de correspondent, die ook schreef dat het grote plein van Messina elke dag om twaalf uur zwart zag van de mensen. Die belangstelling betrof niet de voorzichtige opbouw van de Europese samenwerking, maar „het wel zeer spectaculaire bewegen van alle figuren, zoals engelen en klokken, dat het slaan van het middaguur op de dom begeleidt’.