De leeskloof tussen jongens en meisjes groeit

Er is veel aandacht voor de wiskunde-achterstand van meisjes, maar de leesachterstand van jongens is veel groter, overal ter wereld.

De leesprestaties van jongens blijven vaak ver achter bij die van meisjes. Foto Hollandse Hoogte

Eens in de drie jaar worden de leerprestaties van 15-jarigen wereldwijd doorgelicht. Dat gebeurt met de zogeheten PISA-test die bij de leerlingen wordt afgenomen. Hoeveel wiskundig inzicht hebben ze? Hoe goed kunnen ze begrijpend lezen?

De uitkomsten laten verschillen zien tussen landen en tussen groepen. Tussen jongens en meisjes bijvoorbeeld. Psychologen Gijsbert Stoet van de universiteit van Leeds en David Geary van de universiteit van Missouri zetten die verschillen op een rij in het vakblad PLOS ONE (13 maart) – gemeten over de laatste tien jaar. Verschillen in leerprestaties tussen de seksen blijken niet afgenomen, ondanks de emancipatiepolitiek van veel landen.

Hoe groot zijn de verschillen tussen landen?

Stoet: „Groot. In Kirgizië, dat onderaan de lijst staat, halen leerlingen, jongens én meisjes dus, gemiddeld 331 punten voor de wiskundetoets. In welvarende westerse landen ligt de score rond de 500 – in Nederland is die 526. En Oost-Aziatische landen hebben de hoogste scores. Shanghai voert de lijst aan met een gemiddelde score van 600.”

Zulke scores zeggen dus ook iets over welvaart en cultuur?

„Ja, rijke landen kunnen meer geld in het onderwijs steken. Maar dat is dus niet het enige. China is niet rijk en doet het toch heel goed. Daar speelt waarschijnlijk mee dat ouders veel belang hechten aan goed onderwijs.”

In Shanghai scoren de meisjes gemiddeld net een fractie, twee punten, hoger bij wiskunde dan jongens. In veel andere landen is dat juist anders?

„Ja, wereldwijd scoren jongens gemiddeld hoger. In Nederland is het verschil 17 punten. Niet groot, maar wel significant.

„Ook belangrijk: het verschil was in Nederland in 2009 even groot als in 2000, ondanks het feit dat Nederlandse politici emancipatie nastreefden en gelijke kansen.”

In welke landen doen meisjes het echt significant beter?

„Malta, Albanië, Litouwen, Trinidad, Bulgarije, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten. Geen landen die je als voorbeeld zou willen nemen voor je emancipatiebeleid.”

Wat zegt dat dus, volgens u?

„Dat de emancipatiepolitiek van landen niets te maken heeft met de kloof tussen jongens en meisjes in wiskundevaardigheden. Óf met de kloof in taalvaardigheden, want die is er ook: jongens doen het gemiddeld slechter bij lezen dan meisjes.”

Maar daar hoor je zelden over...

„Heel vreemd inderdaad. De taalkloof is drie keer zo groot als de wiskundekloof, in alle landen zichtbaar én hij groeit. Objectief gezien zou hij prioriteit moeten hebben. Maar in de discussie gaat de aandacht steevast naar de meisjes uit.

„Ik merkte het toen de universiteit een persbericht opstelde. Ik stelde voor daarin de leeskloof centraal te stellen. De persvoorlichter zei: die interesseert de mensen niet.”

De leeskloof is het grootst bij kwetsbare jongens en meisjes die sowieso slecht scoren. De wiskundekloof is juist het grootst bij de beste jongens en meisjes?

„Dat komt, denk ik, doordat je bij leesvaardigheid op een gegeven moment de top bereikt. Beter kan niet. Op dat plateau kunnen jongens dus de meisjes weer een beetje inhalen. Bij wiskunde kun je altijd beter scoren en dan zie je dat jongens dat gemiddeld vaker doen dan meisjes.”

Dan zullen sommigen nu zeggen: dat is biologisch bepaald.

„Alleen conservatieve politici zeggen dat. In de wetenschap zijn er twee stromingen: de ene zegt dat de verschillen ontstaan door culturele en maatschappelijke factoren. De andere gelooft in een mix van zulke factoren en biologie.

„Uit het feit dat jongens wereldwijd slechter scoren in lezen, moet je natuurlijk haast wel afleiden dat er een biologische component is.”

Wat vindt u zelf de belangrijkste uitkomst van uw onderzoek?

„Dat geen enkel land erin slaagt de lees- én wiskundekloof weg te werken. Zweden bijvoorbeeld heeft geen wiskundekloof. Maar de leeskloof is er juist groot. Dat geldt overal en altijd: hoe kleiner de wiskundekloof, hoe groter de leeskloof. En eigenlijk begrijpen we niet goed waar dat in zit, en wat we er aan kunnen doen.

Ons onderzoek bevestigt dat gebrek aan inzicht ook: het beleid heeft de wiskunde- en leeskloof immers niet weggewerkt. Dat is de andere belangrijke uitkomst.”