Welke burger vertrouwt de politierijksdienst?

Op alle politieauto’s staat: ‘waakzaam en dienstbaar’. Daar mag je dan zelf ‘aan de rechtsstaat’ of ‘aan de burger’ bij denken, naar keuze. Voor het centraal station in Amsterdam staan er altijd twee van die auto’s in het voetgangersgebied – en altijd moet ik dan denken aan Jan Wiarda (72), de oud-hoofdcommissaris van Utrecht en

Op alle politieauto’s staat: ‘waakzaam en dienstbaar’. Daar mag je dan zelf ‘aan de rechtsstaat’ of ‘aan de burger’ bij denken, naar keuze. Voor het centraal station in Amsterdam staan er altijd twee van die auto’s in het voetgangersgebied – en altijd moet ik dan denken aan Jan Wiarda (72), de oud-hoofdcommissaris van Utrecht en Den Haag die begin februari overleed. Vorig najaar wilde hij met me praten omdat er volgens hem eens ècht gedebatteerd moest worden over de Nationale Politie, ook in deze column. Hij maakte zich zorgen.

Jan Wiarda wilde vooral een legitieme, zichtbare politie

Dat werd een inspirerend uurtje met een grote, joviale, vriendelijke man die nog precies leek op het tv-beeld dat ik me herinnerde. Uiteraard vroeg hij of ik nog Fries sprak, quod non, maar het ijs was toch gebroken. In de politieliteratuur wordt Wiarda meestal ‘legendarisch’ genoemd. Openhartig, tegendraads, eigenzinnig – er is een hele generatie politieleiders die zich aan hem optrok. Met Nordholt, Straver, Hessing, IJzerman, Wilzing en Kuiper wordt hij als bepalend voor de Nederlandse politie gezien, in de afgelopen decennia.

Hij was al ziek toen ik hem sprak, wat hij er niet bij vertelde. Maar het verklaarde achteraf wel zijn urgentie. Andere gepensioneerde commissarissen schrijven thrillers of geven betaald advies – Wiarda wilde graag nog een nationaal debat, op zijn valreep. De Nationale Politie was een voldongen feit en niet echt zijn keuze. Maar waar het hem z’n hele loopbaan om ging was de legitimiteit van de politie bij de burger. Dat mocht in die nieuwe kolossale organisatie niet verloren gaan. Legitimiteit luistert nauw, het is een lokale kwestie en het bepaalt het respect van de burger voor de rechtsstaat. Het gaat feitelijk over de vraag of de burger echt doorloopt als de agent dat zegt.

Wiarda vond dat het er niet goed uitzag. De politie is zich de laatste jaren aan het verschansen. De nadruk ligt sterk op repressie en te weinig op problemen oplossen. Er lopen te veel onduidelijke toezichthouders rond. Bureaus worden gesloten, surveillance neemt af. De politieke heisa neemt toe. Nauwelijks is er een boerkaverbod dat de politie verplicht moet handhaven of er duiken uit het niets een paar honderd dierenagenten op. En wie hardop zegt dat dat flauwekul is, kan zijn strepen inleveren. Die sfeer. Nu het gehele politiebestel genationaliseerd is, dreigen controle, transparantie en verantwoording achter de horizon te verdwijnen, vreesde hij. Het delicate evenwicht tussen politie en lokaal bestuur, gegroeid over decennia, waarin ieder een eigen rol en verantwoordelijkheid heeft, is weggevaagd. En wat komt er voor de in de plaats? Een politierijksdienst met één baas, politiek gestuurd, hiërarchisch ingericht.

Met smaak vertelde hij een anekdote over de grote stadburgemeester die hem ooit opdroeg een wijkagent te berispen. Die had het gewaagd een spontane betoging uit zijn wijk te begeleiden naar het stadhuis, in plaats van de ME te bellen. De burgemeester was verstoord en Wiarda gehoorzaam, op zijn manier. Hij berispte de agent maar gaf hem een dag later een gratificatie wegens verstandig optreden.

Het was voor hem een sleutelverhaal: de agent, de politie als geheel, moet professionele vrijheid hebben en niet tot één dimensionale handhaving worden gedwongen. De politie is niet alleen maar ondergeschikt aan het gezag, maar heeft ook een eigen plaats in het openbaar bestuur en dus een eigen stem. Daarbij hoort publieke verantwoording en dus communicatie: ook over gemaakte fouten en hoe die te herstellen. En dus over de missie, de taakopdracht van de politie. Wat die woorden ‘waakzaam en dienstbaar’ nou ècht betekenen. En hoe je dat moet bereiken. In een democratie gaat dat in een dialoog, niet per dienstopdracht of perscommuniqué.

Die rolverdeling, het evenwicht tussen bestuur en politie, is nu ongedaan gemaakt. Wiarda stelde een Raad voor de Politie voor, van deskundigen en buitenstaanders, met een mandaat om af en toe iets verstandigs te mogen zeggen. De afgelopen jaren is immers de ruimte voor politiechefs om hun mond open te doen tot nul gereduceerd. De Amsterdamse politieleider die vorig jaar februari oordeelde dat een boerkaverbod per overtreding door de agent kon worden beoordeeld, kreeg Kamervragen. De Brabantse regiochef die medio januari de verkeersboetes ‘disproportioneel hoog’ en ‘uitlokking van agressie’ noemde, kreeg botweg het zwijgen opgelegd. Hij moest ‘gewoon uitvoeren’ en zich ‘niet bemoeien’ met de hoogte van de boetes, zei de minister. De boodschap was helder. De politie is dus een uitvoerend orgaan is geworden, een anonieme rijksdienst. Niet meer in gesprek met de burger. Alleen aanspreekbaar via de minister.

En dan moet het rapport Cohen over het debacle bij de Facebookrellen in Haren nog uitkomen. De politie was vergaand onvoorbereid en bakte er in het dorp niets van. De burgemeester was een figurant. Zijn politieke verantwoordelijkheid is uitgehold – de nationale korpschef is officieel de kop van jut. Die is nu voor alles en dus voor niets verantwoordelijk. Hier dreigt het postume gelijk van Wiarda: het evenwicht tussen bestuur en politie is verstoord, verantwoording werkt niet meer, fouten worden niet zichtbaar hersteld, de politie als locaal instituut is zoek. Waakzaam en dienstbaar, vast en zeker. Maar legitiem?

Deze column verscheen twee weken geleden in NRC Weekend. Wilt u deze rubriek eerder lezen? Neem hier een voordelig zaterdagabonnement.