Wat Deetman niet opschreef in zijn misbruikrapport

Wim Deetman presenteerde deze week zijn laatste rapport over het misbruikschandaal in de Rooms-Katholieke Kerk. Geen enkele bisschop is opgestapt. En dat terwijl er ernstige verwijten waren. Maar die schreef Deetman niet altijd op.

Jongensinternaat Don Rua van de salesianen in ’s-Heerenberg is die dag in 1961 in rep en roer. Op de derde verdieping van het kolossale trappenhuis heeft Richard, een leerling van 17 jaar, minutenlang de keel dichtgeknepen van de 14-jarige Stef Janssen. Stef valt flauw, waarna Richard de bewusteloze Stef over de leuning van de trap duwt. Stef overleeft de val van 14 meter, de zaak gaat de doofpot in. De paters houden de politie er buiten.

Vijfenveertig jaar later zit Stef Janssen met een depressie. In de gesprekken met zijn psycholoog duikt 1961 telkens op. De val, maar ook het seksueel misbruik van Stef door een pater-salesiaan op de ziekenzaal in Don Rua. Het is een goed idee, zegt de psycholoog, dat hij die traumatische ervaring van zich afschrijft.

Dat doet Janssen. Op 23 april 2008 stuurt hij zijn verhaal naar bisschop Ad van Luyn van Rotterdam. Janssen is ervan overtuigd dat die van het voorval weet. Van Luyn is salesiaan, in de jaren zestig leraar in Don Rua en vanaf 1975 provinciaal-overste van de salesianen. Maar Van Luyn laat niets van zich horen.

Twee jaar later, in maart 2010, berichten NRC Handelsblad en de Wereldomroep over het seksueel misbruik in de jaren zestig en zeventig door salesianen in Don Rua. Janssen stuurt Van Luyn opnieuw een e-mail. Weer geen reactie.

De salesiaan Ad van Luyn is aan het begin van het misbruikschandaal in 2010 de hoogste kerkleider in Nederland, als voorzitter van de bisschoppenconferentie. De bisschop zegt in media dat kindermisbruik bij de salesianen nieuw voor hem is. Janssen stuurt zijn verhaal, met de onbeantwoorde brieven aan Van Luyn, naar de commissie-Deetman. Hij laakt de handelwijze van de bisschop die hem niet hielp.

Van Wim Deetman krijgt Janssen een ontvangstbevestiging, maar verder hoort hij niets. Dat is vreemd omdat Deetman in zijn onderzoek naar kindermisbruik in de Rooms-Katholieke Kerk ook de gedragingen van kerkbestuurders onder de loep neemt. Hoe gingen zij om met daders en slachtoffers? Wat wisten zij van misbruik, en wat hebben ze met die wetenschap gedaan?

Geen bisschop ligt vanaf het begin van het misbruikschandaal zo onder vuur in de media als Van Luyn. Eerst ontkent hij dat hij als provinciaal-overste van de salesianen van het misbruik wist, later geeft hij druppelsgewijs toe dat hij kennis had over zaken. In details treedt hij echter nooit, onder verwijzing naar het onderzoek en het eindrapport van de commissie-Deetman. Daarin zal zijn bestuurlijke optreden onderzocht en beoordeeld worden, verklaart zijn woordvoerder.

Deze week heeft Wim Deetman zijn onderzoekswerk afgerond. Wie nu het eindrapport van zijn commissie nog eens leest, ziet dat er met geen woord gerept wordt over de kwestie Janssen en over de rol van Van Luyn. Peter Nissen, hoogleraar spiritualiteitsstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen noemt het eindrapport (1.257 pagina’s) en het deze week verschenen vervolg (448 pagina’s) waardevol vanwege de vele informatie. „Het rapport is juist ook interessant om wat er niet staat.”

Uit onderzoek van deze krant blijkt dat Deetman méér belastende gegevens heeft over Van Luyn, die hij niet opschrijft in zijn eindrapport. Zo weet Deetman dat Janssen niet het enige slachtoffer is dat tevergeefs hulp vraagt aan Van Luyn. Dat overkomt ook een man die als kind tussen 1947 en 1953 door zeven salesianen ernstig misbruikt is op een jongensinternaat in Ugchelen. Van Luyn weigert hem in 2008 persoonlijk te antwoorden, ondanks drie smeekbrieven. Van Luyn onderneemt ook geen actie tegen de twee nog levende daders van zijn congregatie.

Het slachtoffer overhandigt zijn correspondentie met Van Luyn daarna aan de commissie-Deetman, maar die meldt in het eindrapport niets over de handelwijze van de bisschop. De man krijgt later van de salesianen voor het „uitzonderlijk seksueel misbruik” 68.000 euro smartegeld.

Deetman weet ook dat Van Luyn een misbruikte parochiaan van de Regenboogkerk in Leiden in 2002 in de kou laat staan. Het slachtoffer van de pastoor moet zijn therapie zelf betalen. „Noch financieel noch anderszins is hulp verstrekt”, meldt hij. Van Luyn stuurt in dit geval wel een briefje. Het slachtoffer: „Hij wenste mij sterkte en zou voor mij bidden.” Ook dit blijft uit het eindrapport.

Deetman weet eveneens dat Van Luyn, als overste van de salesianen, in 1979 bij de politie aandringt op het seponeren van een misbruikzaak tegen een pedofiele salesiaan. De man wordt overgeplaatst naar Terneuzen waar hij doorgaat met kindermisbruik en wordt veroordeeld. Deze affaire komt in het rapport ter sprake, maar waar de rol van Van Luyn te bekritiseren valt, wordt zijn naam niet genoemd. Opvallend is dat als Van Luyn in een enkele misbruikzaak wél actie onderneemt, zijn naam wel wordt genoemd.

In de hoofdconclusies over het bisdom Rotterdam meldt Deetman dat Van Luyns voorganger Philippe Bär zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid als bisschop niet neemt. Onder Bär blijven afdoende maatregelen tegen misbruik uit. Priesters die in zijn bisdom niet meer kunnen worden gehandhaafd, worden in andere bisdommen tewerkgesteld, met alle risico’s voor de kinderen.

Na het vertrek van Bär en de komst van Van Luyn „hield deze situatie op te bestaan”, schrijft Deetman. Maar na Bär houdt de situatie niet op, blijkt uit de gegevens van Deetman zelf.

Van Luyn is in 1995 als bisschop van Rotterdam betrokken bij de aanstelling in zijn bisdom van een pedofiele salesiaan die dan al twintig misbruikzaken heeft bekend. Van Luyn staat toe dat de pater in zijn bisdom pastoraal- en jeugdwerk doet. Als het opnieuw fout gaat, tolereert Van Luyn dat de pater nog een half jaar in zijn bisdom blijft, voordat hij overgeplaatst wordt naar Amersfoort. Daar vergrijpt de pater zich weer. Anders dan bij Bär, wordt over Van Luyn géén oordeel geveld.

Bisschop Van Luyn krijgt een andere behandeling dan oud-bisschop Bär (Rotterdam) en de gepensioneerde kardinaal Simonis (Utrecht). Beiden zijn soortgelijke verwijten te maken. Ze schakelen, net als Van Luyn, justitie niet in of dringen aan op het seponeren van politiedossiers, en ze zijn betrokken bij het overplaatsen van pedofiele priesters. Beiden doen ook, net als Van Luyn, te weinig voor de slachtoffers.

Bär en Simonis worden gekapitteld in aparte bevindingen in het eindrapport. Over Van Luyn ontbreken zulke aparte bevindingen en ook zijn er geen eindconclusies. Zo blijft de hoogste kerkbestuurder in het eindrapport buiten schot. Belastende feiten worden niet, of slechts omfloerst, weergegeven, vaak met weglating van de naam van Van Luyn. Zo beschrijft Deetman in het eindrapport op pagina 366 hoe de salesianen in 1979 gesprekken voeren met slachtoffers en hun ouders, deels „om te kijken of ruchtbaarheid vermeden kon worden.” Dat deze doofpotpraktijk onder de verantwoordelijkheid van overste Van Luyn valt, blijft onvermeld. Als zijn opvolger, overste André Asma „om dezelfde reden” contact zoekt met ouders „die mogelijk een aanklacht wilden indienen” wordt die wél met naam genoemd.

Tussen het duo Bär en Simonis, en Van Luyn is één groot verschil. In tegenstelling tot Bär en Simonis is Van Luyn, als Deetman zijn onderzoek doet, nog niet met pensioen. Het is Ad van Luyn die Deetman in 2010 vraagt een advies te schrijven over de opzet van een onderzoek naar het kindermisbruik, melden bronnen rond de kerkprovincie. Dat Van Luyn bij Deetman uitkomt, is niet vreemd. Ze kennen elkaar goed. Hun contact dateert uit de periode dat Deetman burgemeester is in Den Haag, in het bisdom van Van Luyn.

Deetman zet op papier hoe het onderzoek eruit moet zien. Nog vóór het advies van Deetman gepresenteerd wordt, schuift Van Luyn binnen de kerkprovincie Deetman naar voren als degene die het onderzoek moet gaan doen. Daarna geeft hij als voorzitter van de bisschoppenconferentie formeel de opdracht. Een kerkelijke bron: „Deetman was de ideale man om te voorkomen dat de Tweede Kamer zelf een onderzoek zou doen. Iemand met statuur en gezag.”

Vanaf het begin is er bezorgdheid in de kerkprovincie over Van Luyn, zeggen bronnen. Hij moet zoveel mogelijk uit beeld blijven, zowel figuurlijk als letterlijk. Van Luyn is een risicofactor, omdat hij zelf overste was van de in opspraak geraakte congregatie van salesianen. „Dat is de reden waarom het woordvoerderschap in het misbruikschandaal aan de Groningse bisschop De Korte is gegeven”, aldus bronnen.

Hoogleraar Peter Nissen bevestigt: „De Korte was nog maar net bisschop. Hem kon weinig verweten worden. Dat was dus veilig om De Korte woordvoerder te maken. Het misbruikschandaal kwam veel te dicht bij de persoon Van Luyn en bij zijn familie. Tegen zijn broer Wim, ook salesiaan, waren immers misbruikklachten ingediend.”

Een tweede nog actieve bisschop, Frans Wiertz, wordt ook gespaard door Deetman. Wiertz is sinds 1993 bisschop van Roermond, als opvolger van Jo Gijsen. Het rapport is zeer negatief over de gepensioneerde Gijsen. Hij neemt geen maatregelen tegen daders en laat archiefstukken over probleemgevallen vernietigen.

Met de komst van Wiertz „kreeg de aanpak van probleemgevallen aandacht”, schrijft Deetman. Het eindrapport meldt echter niet hoe Wiertz in twee zaken een ‘probleempriester’ de hand boven het hoofd houdt. Hij benoemt een veroordeelde pastoor uit Heerlen in 1998 weer in Kerkrade. Een andere van misbruik beschuldigde priester stelt hij in 1994 aan als pastoor. Na nieuwe incidenten plaatst hij de pastoor nog twee keer over binnen zijn bisdom.

Hoogleraar Nissen is het opgevallen dat de zittende bisschoppen, de opdrachtgevers van Deetman, gespaard worden in het eindrapport. „Bij een aantal van hen heeft dat te maken met het feit dat ze er nog maar kort waren en er over hen weinig te melden was. Maar bij Van Luyn wisten we dat er het nodige aan de hand was, met name uit zijn tijd als overste van de salesianen. Dat geldt ook voor Wiertz. Ik stel vast dat de zittende bisschoppen zijn ontzien, Van Luyn voorop. Hun handelen is niet scherp beoordeeld. De gepensioneerde bisschoppen, onder wie Bär, Simonis en Gijsen, kregen een heel andere behandeling.”

Frans Wiertz is nu nog bisschop van Roermond en vicevoorzitter van de bisschoppenconferentie. Ad van Luyn neemt op 18 juni 2011 ongeschonden afscheid als bisschop van Rotterdam. Zijn afscheid is groots. De pontificale hoogmis in de kathedraal van de heilige Laurentius en Elisabeth in Rotterdam wordt bijgewoond door vele hoogwaardigheidsbekleders, onder wie Piet Hein Donner, Ruud Lubbers en het prinselijk paar Willem-Alexander en Máxima.

Reacties naar: onderzoek@nrc.nl