Utopia

In Israël spreekt oude dames die lachen om niet te huilen.

Can you believe I’m a grandmother?”, vraagt het kromgetrokken, te heet gewassen vrouwtje. Ze heeft een Duits accent, het klinkt als ‘krentmodder’. Ze is gelift, geplamuurd, buiten de lijntjes geschminkt, ze draagt een pruik en een hagelwit kunstgebit, maar niets verhult haar ouderdom. Ik weet wat van me wordt verlangd. „Grootmoeder? U? No way!” Ze zit met haar vriendinnen op een rij, in de hal van het Museum of Art in Tel Aviv. Ze rusten uit, want kunst vermoeit. „Vier kleinkinderen”, zegt ze, en geeft met haar hand hun lengtes aan. „Ik heb er vijf”, glundert een ander. De derde troeft hen af met „zes kinderen”, maar wordt terechtgewezen: „We hebben het over kleinkinderen, Beth, niet over kinderen.” „Ik had er vijf”, zegt nummer vier, meer in zichzelf dan tegen ons, „maar één is overleden.”

Dan is het stil.

Zes broze vrouwtjes op een rij, nu ieder in eigen gedachten verzonken, het heden even opzij gezet. „Het was in de Zesdaagse Oorlog”, vertelt ze, „net achttien jaar”.

Haar vriendin knijpt troostend in haar hand. Zij verloor haar man, een oorlog eerder, in de Onafhankelijkheidsoorlog van ’48. „Welke echtgenoot was dat?”, vraagt Beth, een vage glimlach om haar mond, „je hebt er zoveel versleten, ik ben de tel kwijt.”

Humor heelt wonden. „Hoeveel mannen ik heb gehad? Bedoel je, afgezien van mijn eigen?”

De dames schateren het uit. Zakdoekjes worden gepakt, tranen gedept, poeder aangebracht. Oude dames in Israël, ze hebben allemaal een verhaal. Hoe broos ze ook lijken, ze hebben de kampen overleefd, gevochten in het leger, zonen en kleinzonen verloren.

Ze vragen waar ik vandaan kom. „Nederland is een goed land”, zegt een van hen, „maar niet zo goed als vroeger. Jullie waren altijd voor ons. Nu niet meer zo.” Voor of tegen. Bij alles wordt die afweging gemaakt. „Duitsland is onze beste bondgenoot”, weet Beth, „Angela Merkel schenkt alleen Israëlische wijn tijdens staatsbezoeken, van Carmel, ons beste wijnhuis.”

„Ironisch toch? Ik heb er geen voet meer gezet, sinds de oorlog. En nu zijn het onze beste vrienden.” Het wordt weer mistig in hun ogen. „Wat konden we anders doen dan naar het Beloofde Land gaan, na de oorlog? Waar was je nog veilig? Maar het heeft ons veel verdriet gedaan. Utopia is het niet.” „Ken je Oscar Wilde?”, vraagt Beth. („Natúúrlijk kent hij Oscar Wilde!”, knipoog, hard gelach). „Hij was niet Joods, maar beschreef het mooi: A map of the World that does not include Utopia is not worth even glancing at.”