Schrijvers zijn niet zo gek op veranderingen

Het Boekenbal was dit jaar anders van opzet. De schrijvers moesten staan. Ze werden er onrustig en een tikkeltje narrig van.

„Hetzelfde als altijd”, verwachtte schrijver Gustaaf Peek van het Boekenbal, zijn zesde. „Door de gangen struinen, handen schudden, roddelen, dansen, dronken worden.” Alleen de dag was ditmaal anders: voor het eerst begint de Boekenweek op zaterdag en niet op woensdag, dus is het bal, steevast aan de vooravond, nu op vrijdag. Dat zou geen wezenlijk verschil maken, dacht Peek, al was het gunstig, want „nu kon de babysitter langer”. En Iris Koppe, die als 28-jarige romancière toch al haar twaalfde bal beleefde, zag van tevoren uit naar haar „lievelingsfeest”, dat „eigenlijk de reden was dat ik schrijver ben geworden”.

De geruchten dat de opening van de Boekenweek, gisteravond in de Amsterdamse Stadsschouwburg, wel eens verrassend kon worden, werd de afgelopen dagen uitgelegd om de verkeerde reden: koningin Beatrix zou komen, werd er gesmiespeld. Youp van ’t Hek dacht het zeker te weten, zei hij gistermiddag op de radio: hij had voor het eerst in dertig jaar geen uitnodiging ontvangen, natuurlijk omdat de RVD zijn naam van de lijst zou hebben geschrapt. Maar de verrassing bleek niet de vorstin: Beatrix, die in 1957 voor het laatst het Boekenbal bijwoonde, had een afspraak in Groningen staan.

De schrijvers, boekhandelaren en uitgevers die zich hadden voorbereid op een „uurtje onderuitzakken”, zoals Christiaan Weijts het traditionele zaalprogramma karakteriseerde, stonden voor een verrassing. Bij binnenkomst in de grote schouwburgzaal zagen ze dat de stoelen weg waren. Het podium liep door tot in de zaal. Alleen wie een balkonkaartje had kon zitten, de rest van de gasten moest een uurtje staan. De zaal was doormidden gedeeld met een groot doek. Niet per se een verslechtering, dacht Weijts: „Het is nu toch alsof het feest gelijk begonnen is.”

Evengoed was er een kleinkunstig programma in elkaar gezet, met vooral veel muziek en een paar plichtplegingen: de voorzitter van de Stichting CPNB, Geneviève Waldmann, verwelkomde eregasten Kees van Kooten, schrijver van het Boekenweekgeschenk, en Nelleke Noordervliet, die het Boekenweekessay schreef. In haar toespraak trok Waldmann de vermeende crisis in het boekenvak in twijfel. Was de geschiedenis immers niet voor meerdere interpretaties vatbaar? Al daalde de omzet, er waren vorig jaar óók veel niet-lezers aan het lezen geraakt, „hè Mai?” Ze hoopte dat dit Boekenbal „de boekenlegger zou zijn tussen de zwarte bladzijden” van de crisis, en dat we achteraf zouden concluderen dat het een „gouden tijd” is geweest. En zo was er nog een grapje: het opgehangen doek viel, en de gouden linkerkant van de zaal werd herenigd met de zwarte rechterkant.

Het programma werd vervolgens aaneengepraat door ‘de geest van Gerrit Komrij’, een imitatie van Erik van Muiswinkel die door de speakers klonk – waarbij er een soulband speelde, een stukje opera ten gehore werd gebracht, de Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod een geschiedenisles voordroeg en schrijfster Maartje Wortel een verhaal van drie minuten voorlas. En uiteindelijk dook er dan toch nog een verrassende mystery guest op: zanger Joe Jackson, die één lied zong.

De nieuwe opzet van het zaalprogramma werd door de balgangers niet erg enthousiast ontvangen. „Ronduit een zooitje”, vond Tommy Wieringa het. „Het is te prijzen dat ze eens iets nieuws proberen, maar ik heb nogal rusteloze benen en kon me daardoor maar moeilijk concentreren. Je kon zo maar blijven lopen, nieuw bier halen. Ik had liever een stoel gehad.” Robert Vuijsje kon er maar één verklaring voor bedenken: „Het had met het thema te maken. We moesten ons als slaven in een slavenschip voelen, als sardientjes in een ton. Maar ik hoop dus dat het eenmalig is geweest.”

Charlotte Mutsaers vond het ook „verschrikkelijk” en toonde zich „opgelucht dat ik nog een glas champagne heb weten te bemachtigen”. Gelukkig veranderde dat niet: na het zaalprogramma werd er als vanouds gestruind, geroddeld en gedronken. „Grijze auteurs dansten waardig in het onbedreigde centrum der dansvloeren, een jonger geslacht vond aan de periferie gelegenheid tot swingen”, schreef de verslaggever van het Algemeen Handelsblad over Beatrix’ laatste bal in 1957. Sommige dingen veranderen niet: het bleef nog lang onrustig in de Stadsschouwburg.