Oorlog in Syrië wordt ook ramp voor regio

Meer dan een miljoen Syrische vluchtelingen zoeken hun heil in aangrenzende landen. Die dreigen nu te bezwijken onder de enorme aantallen hulpzoekenden.

Vluchtelingenkamp in Libanon in de Beka’a-vallei, bij de grens met Syrië. Foto Corbis

Het bord wijst de weg naar het ‘Land van de schoonheid’, en mooi is het, zo mooi. De bomen zijn nog kaal, maar de lente begint en het land is frisgroen. De sneeuw op de bergen op de achtergrond die de Libanese grens met Syrië markeren is al ver omhoog geklommen.

Hier bij het dorpje Terbol in de Beka’a-vallei woont sinds twee maanden de 38-jarige Fatmeh uit Deir es-Zor. Samen met haar man en vier kleine kinderen zit ze in een ongeregeld tentenkampje, op een akker tussen 250 andere Syrische vluchtelingen. „Het is in Gods hand”, zegt ze, als ze geen oplossing ziet. Bijvoorbeeld hoe ze haar oudste kinderen, acht en tien jaar, uit Syrië moet zien weg te krijgen. Op de vlucht voor de bombardementen door de Syrische luchtmacht kon ze hen niet meenemen – ze wonen nu bij een tante. Ze weet ook niet hoe ze vanmiddag melk moet krijgen voor de drie maanden oude baby die op de grond ligt te huilen. „Ik vertrouw op Gods genade.”

De oorlog in Syrië heeft, sinds die twee jaar geleden begon met een hoofdzakelijk sunnitische opstand tegen het regime, meer dan 70.000 mensen het leven gekost. En het aantal doden loopt in hoog tempo op. Maar de bloedige gevechten treffen nog veel meer Syriërs. De drie miljoen ontheemden in het land, die nauwelijks kunnen worden bereikt door hulporganisaties. De vluchtelingen in de buurlanden.

Een week geleden werd de miljoenste vluchteling door de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR geregistreerd. Let op het woord ‘geregistreerd’. Honderdduizenden vluchtelingen hebben zich niet bij het UNHCR aangemeld, omdat ze geen behoefte hebben aan hulp of omdat ze de weg naar het registratiecentrum niet hebben gevonden.

Vluchtelingen arriveren nu overal aan de grenzen, met duizenden per dag. Daarmee wordt de oorlog in Syrië ook een ramp voor de buurlanden. Het grote Turkije heeft nog de minste moeite de vluchtelingen op te vangen. Maar Jordanië, met in totaal naar schatting bijna een half miljoen Syrische vluchtelingen op zes miljoen inwoners, en het veel kleinere Libanon (vier miljoen inwoners) maken zich grote zorgen over hun eigen toekomst. Hun economische situatie was al slecht toen de vluchtelingen zomer 2011 begonnen te komen. Er is wel internationale hulp, maar nooit genoeg.

De Libanese minister van Sociale Zaken, Waez Abou Faour, is ervan overtuigd dat de Syrische president Assad willens en wetens bezig is burgers de grenzen over te werken. „Hij is bezig een hele strook gebied langs de grens van Latakia, Homs, Damascus tot Deraa te zuiveren van sunnitische inwoners; zijn plan B om te overleven in een deel van zijn land.” Waez Abou Faour ontvangt in zijn ministerie in Beiroet Europese journalisten die deelnemen aan een rondreis, georganiseerd door de EU-hulporganisatie ECHO. „Tegelijk destabiliseert hij zo Libanon en verspreidt hij het conflict over de hele regio.” Assad zelf heeft er herhaaldelijk publiekelijk mee gedreigd.

Beiroet, nog geen uur rijden van de Syrische hoofdstad Damascus, zie je het drama niet aan. In het hippe oostelijke stadsdeel staan jonge mensen te praten buiten de trendy cafés. De temperatuur is aangenaam, de wijn is goed en het gesprek geanimeerd. De uitgaanswijk van de Libanese hoofdstad heeft zich het afgelopen jaar weer verder uitgebreid. Hier zijn ook vluchtelingen, maar dat zijn de welgestelden onder hen. Zij kunnen prima voor zichzelf zorgen en blijven onzichtbaar.

Maar de Syriërs die nu massaal de grenzen oversteken bezitten vaak niet veel meer dan de kleren die ze aan hebben. Minister Faour heeft die ochtend juist een heel somber beeld geschetst van de situatie. Een miljoen Syriërs zijn er nu in Libanon, dat een kwart van Nederland meet: naar schatting in totaal 500.000 geregistreerde en ongeregistreerde vluchtelingen, in meerderheid vrouwen en kinderen, bovenop de ongeveer evenveel Syrische seizoensarbeiders en hun gezinnen die door de oorlog dit jaar niet meer naar huis konden teruggaan. En er blijven maar mensen komen: net als in Jordanië komen er in Libanon nu 100.000 vluchtelingen per maand aan. Als de exodus in dit tempo doorgaat, zijn er over een jaar nóg een miljoen bij in Libanon. Een miljoen.

„Alles is veranderd in Libanon”, onderstreept de minister. De handel met Syrië is weggevallen. De prijzen van eerste levensbehoeften en de huren stijgen door de toestroom van mensen. En de werkloosheid van Libanezen stijgt snel doordat Syriërs hun werk op het land en in de bouw voor de helft van hun loon overnemen. Ze beginnen eethuizen en winkels en worden hun concurrenten. „Onze sociale voorzieningen komen onder druk te staan. Meer dan 30.000 Syrische kinderen gaan gratis naar school. We geven de vluchtelingen gratis toegang tot de gezondheidszorg. Daardoor neemt rivaliteit tussen Libanezen en Syriërs toe. De mensen klagen dat de Syriërs wel steun krijgen en zij niet. Zelfs de sunnieten, de mensen die de opstand tegen Assad steunen. Ze kunnen het niet meer opbrengen. Op sommige plaatsen hebben we niet genoeg water. Dit zijn allemaal implicaties van de crisis in Syrië.” Hulporganisaties bevestigen zijn verhaal.

En het delicate evenwicht tussen de Libanese minderheden dreigt te worden verstoord. „Voor de christenen zijn de vluchtelingen moslims. Voor de shi’ieten zijn het sunnieten.” De Libanezen herinneren zich de verwoestende burgeroorlog die in 1975 begon toen de balans werd verstoord. Vijftien jaar duurde de oorlog, en in het centrum van Beiroet herinneren nog steeds pokdalige resten ervan aan die periode.

Vluchtelingen betekenen vaak: kampen. In Jordanië heeft de regering afgelopen zomer in het noorden vlakbij de grens met Syrië het kamp Zaatari voor Syrische vluchtelingen ingericht. Voor 40.000 was het bedoeld, 90.000 zitten er nu. Nieuwe kampen worden gebouwd. Maar in Libanon wil de regering er tot dusverre niet van weten. „We zijn verdeeld over Syrië”, zegt minister Faour. Een deel van de regering, met name de shi’itische beweging Hezbollah, steunt het Syrische regime; een ander deel, waaronder de druzische partij van Faour, staat achter de opstand. „Sommigen denken dat je Assad helpt door hier geen kampen te hebben. Ze willen ontkennen dat er iets aan de hand is in Syrië.”

Maar de regering is ook bang voor kampen, door de ervaring met de overbevolkte kampen van de Palestijnen die in de Arabisch-Israëlische oorlog in 1948 kwamen. Wie eenmaal in een kamp zit, blijft, dat is de les die hieruit is geleerd. Daarom moeten de Syriërs nu wonen waar ze een goedkope plek kunnen vinden in het noorden en oosten van het land, verspreid over meer dan 800 locaties, en naarmate er meer komen uitwaaierend naar het zuiden en midden van het land. Aanvankelijk werden ze opgevangen bij mensen thuis en vonden ze goedkope huurappartementjes en kamers. Maar door de stijgende huren raken deze buiten het bereik van de nieuwkomers, en hoe dan ook is er nauwelijks aanbod meer. De meeste gastgezinnen hadden er na een paar maanden genoeg van.

Vandaar dat vluchtelingen nu bivakkeren in garages, in leegstaande gebouwen en in de wilde tentenkampjes zoals waar Fatmeh uit Deir es-Zor woont. In Baalbek, de hoofdstad van de Beka’a-vallei, heeft de goedlachse sunnitische geestelijke sjeik Mashoud Solh een schoolgebouw opgeknapt voor 200 vluchtelingen. Dat wil zeggen glas in de ramen en een paar wasmachines en fornuizen. In de lokalen zitten de schoolborden nog. Er komen zoveel mensen dat nu ook de raamloze voorraadkamertjes van de school in gebruik zijn genomen voor vluchtelingen.

Fatmeh Youssef (38) woont sinds een paar maanden in zo’n lokaal met haar echtgenoot, dochter en vier zoons, van wie de jongste twaalf jaar is. Drie neven wonen met een andere familie in een belendend lokaal. Het leven was goed in de voorstad van Damascus waar ze woonden. Maar hun huis is verwoest, de hele buurt is kapot, zegt ze. Ze zijn gevlucht omdat ze vreesde voor het leven van de kinderen. „Ik steun geen van beide kanten in de oorlog”, zegt ze. Maar dat antwoord zint de sjeik niet: „Voor wie ben je bang, kind?” „We zijn tegen het regime”, zegt ze dan. Haar man voegt eraan toe: ,,Als ik jonger was geweest, had ik me bij het Vrije Syrische Leger gevoegd.”

Fatmeh Youssef heeft in haar schoollokaal nog veel ruimte vergeleken met de Palestijnse vluchtelingen die eveneens toestromen vanuit de platgebombardeerde omgeving van Damascus. Van de half miljoen Palestijnen in Syrië zijn er nu meer dan 30.000 gevlucht. Diplomaten en hulpfunctionarissen onderstrepen dat de 260.000 Palestijnen in Libanon schandelijk worden gediscrimineerd. Ze mogen alleen werken in de bouw en op het land; eigen woningbezit is verboden. Veruit de meesten wonen in de oude kampen; de regering ontmoedigt Palestijnen zich daarbuiten te vestigen. De Palestijnen zijn sunnieten, en hun naturalisering zou een gevaarlijke versterking van de sunnitische minderheid betekenen, zo gevoelig ligt dat. Maar de Libanese autoriteiten handhaven zo ook ongevraagd het Palestijnse ‘recht op terugkeer’ naar steden die nu in Israël liggen.

De Syrische Palestijnen, die veel beter zijn gewend, moeten ook naar de oude kampen, die al overvol zijn. In het kamp Wevel in Baalbek, waar 2.900 Palestijnen wonen, zijn er inmiddels 3.000 vluchtelingen bijgekomen. „Wat kunnen we doen als er nog meer komen?” vraagt Ahmad Mouh, de Palestijnse regiochef van UNRWA, de VN-hulporganisatie voor Palestijnse vluchtelingen. Hij weet het antwoord: nog meer mensen erbij proppen.

De Bekrawi’s uit Yarmouk bij Damascus wonen nu met zijn 41’en in drie kamers van vier bij vier meter. Ze slapen om beurten. Werk krijgen ze niet als Palestijnen uit Syrië, dus ze zijn afhankelijk van geld dat UNRWA uitdeelt, 200 euro voor een familie van vijf per maand. Net genoeg voor twee karige maaltijden per dag. „We kunnen hier niet leven”, zegt de 30-jarige Miyas Bekrawi. Wanneer gaan jullie dan terug? „Alleen God weet het”, zegt ze hopeloos.

Niemand durft het hardop te zeggen, maar ze fluisteren het wel: wat als Assad in zijn doodsstrijd alle Palestijnen eruit gooit? Het schrikbeeld onder Palestijnen en Libanezen is dat een nieuw rebellenbewind in Damascus de Palestijnen niet laat terugkomen. Sommige Palestijnse groepen staan onder bescherming van het Syrische regime, maar in de perceptie van de Syrische oppositie zijn alle Palestijnen handlangers van Assad.

Minister Faour zegt dat de toestand nu zo alarmerend is dat sommige Libanese partijen die aanvankelijk tegen kampen waren, hun standpunt beginnen te heroverwegen. Als eerste stap kijkt zijn ministerie samen met internationale hulporganisaties naar geschikt terrein voor ‘registratieplaatsen’ (om het woord kamp te vermijden) waar nieuwkomers enkele maanden zouden kunnen worden opgevangen.

Of de grenzen sluiten? „Wat mij betreft niet. We moeten proberen het probleem te beheersen. Al krijgen we er geen hulp bij. Onze president vroeg Arabische landen op een donorconferentie of ze ook geen vluchtelingen wilden opnemen. Maar daar ging niemand op in.”

De echtgenoot van Fatmeh uit Deir es-Zor werkte thuis op het land. Nu zoekt hij hier naar werk. De baby blijft huilen. „Ik wilde dat de oorlog nooit was begonnen”, zegt Fatmeh. „Ik wilde dat alles weer was zoals vroeger.”