Minder Haagse politiek - dat zou zeker geen nadeel zijn

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Adri Duivesteijn en het bederf van een gepolitiseerde Eerste Kamer. Ofwel: welk Titaantje (m/v) durft de strijd met de mode aan?

Illustratie Hajo

In Den Haag denken ze al snel dat alles om Den Haag draait. Je krijgt er de vreemdste misverstanden door.

Mijn favoriet de laatste weken waren ‘de dubbele petten’ c.q. ‘de bijbaantjes’ van senatoren. Vrijwel alle tv-stations en dagbladen toonden aan dat Eerste Kamerleden, die de toekomst van Rutte II in handen hebben, grossieren in allerlei andere functies. In zorgbesturen zitten ze, sommigen lobbyen, anderen hebben commissariaten, er zitten bankiers en accountants tussen – erg bedenkelijk allemaal, aldus de berichten.

Nu worden senatoren geacht één à anderhalve dag per week aan het Eerste Kamerlidmaatschap te besteden. Twintig tot dertig procent van hun werkweek. Toch vindt institutioneel Den Haag dit Kamerwerk hun voornaamste bezigheid. Kijkt u maar op de website van de Eerste Kamer. Daar worden – bijbaantje hier, bijbaantje daar – per senator de ‘nevenfuncties’ opgesomd.

Ergo: Den Haag is in de eigen ogen van zoveel gewicht dat het werk van senatoren buiten het landsbestuur per definitie bijzaak is – ook al besteden ze er zeventig procent van hun tijd aan.

En dat terwijl de maatschappelijke expertise van senatoren jarenlang werd gezien als reden van bestaan van diezelfde Eerste Kamer. Het bestuur bleef in balans dankzij deeltijdpolitici die door praktijkkennis en levenservaring de professionals tot de orde riepen.

Hier is dus iets misgegaan. Want nu de Eerste Kamer een grotere rol in de machtsvorming speelt, worden diezelfde vakkennis en levenservaring niet alleen gekleineerd (‘nevenfuncties’) – maar bovendien behandeld als verdachte eigenschap.

Uitgerekend deze week kwam in beeld hoezeer het bestel op dit punt in het ongerede is geraakt. Je kon gemakkelijk schamper doen over de plotselinge kritiek van Adri Duivesteijn, de nieuwe PvdA-senator, op het Woonakkoord; Duivesteijn heeft nooit een hekel aan camera’s gehad. Maar inhoudelijk was zijn bijdrage, eerlijk gezegd, onthullend.

Wekenlang lag Elco Brinkman, CDA-fractievoorzitter in de senaat en voorzitter van Bouwend Nederland, onder vuur voor zijn dubbelrol in het woondebat. Hij was tegen de zogenoemde verhuurdersheffing, een slordige twee miljard euro die het kabinet van de woningcorporaties afroomt.

Brinkman vreesde dat dit de investeringen in de bouw, broodnodig voor economisch herstel, zou remmen. Zijn critici wisten er wel raad mee: Brinkman verkocht een lobbypraatje van bouwbedrijven als parlementaire bijdrage. Uit bijna alle partijen waren ze bereid er schande van te spreken.

Ook in het publieke debat was weinig aandacht voor de mogelijkheid dat Brinkman misschien ook nuttige kennis uit de sector inbracht. Totdat afgelopen dinsdag uit de bijdrage van Duivesteijn bleek dat deze linkse PvdA’er, net teruggetreden als wethouder van Almere, de bouwput van Nederland, exact dezelfde gevolgen van de verhuurdersheffing vreest: een rem op investeringen. En de ironie was dat ook Duivesteijn meemaakte dat zijn bezwaren ogenblikkelijk werden gepolitiseerd: de coalitie bleek niet de politieke ruimte te hebben om zijn praktijkkennis inhoudelijk te beoordelen.

Maar ook dit was volkomen logisch. Het kabinet is er diep van doordrongen dat het alleen kan overleven wanneer het invloed afstaat - aan de oppositie en de polder. Maar dit vergt compromissen die in generaties niet zo complex zijn geweest. Er zijn duizelingwekkend veel omstandigheden en variabelen waarmee de coalitie rekening moet houden: een verkruimeld partijenlandschap, recessie, een teveel aan populistische neezeggers, EU-begrotingsregels, verwarde bestuurderspartijen, kiezers die oppositioneel gedrag belonen. En dan óók nog wisselende meerderheden in Eerste en Tweede Kamer. Wie hier een evenwichtig landsbestuur van weet te maken levert al een grootse prestatie. Dus dat de coalitie soms in zichzelf keert, en even geen Duivesteijn meer kan horen, kun je ze moeilijk kwalijk nemen.

Bovendien lijdt ook het gepolder, dat gisteren begon, tot verdere uitholling van het bestel. Het betekent dat het kabinet macht, gekregen van de kiezer, afstaat aan werkgevers en werknemers. Maar nota bene de grootste vakcentrale, de FNV, compliceert ditzelfde overleg omdat de centrale meer democratie aan de eigen leden heeft beloofd. Iedereen inschikken omdat de FNV-leden daar even niet aan toe zijn – dat zal niet lang goed gaan.

Intussen deed zich dit jaar bij FNV Bouw een pijnlijker incident met ledendemocratie voor. In afwijking van het bestuursadvies kozen leden een lokale politicus uit Veghel tot hun bondsvoorzitter. De man werd enkele weken geleden ontmaskerd als afperser van een bejaard dametje. Een pijnlijk zwijgen volgde, want zo werkt democratie ook: iedereen wil het – maar als de gevolgen tegenvallen is niemand verantwoordelijk.

Dit is de essentie van het moeras waarin Rutte II zit: er mag overal in het land een diep verlangen naar meer democratie zijn, tegelijk versterkt deze behoefte politisering van verhoudingen en ondermijnt het bestuurbaarheid. Dat zie je niet alleen bij de FNV, maar ook bij de Eerste Kamer.

De senaat speelt pas een actieve politieke rol sinds, bij de grondwetswijziging van 1983, werd besloten dat hij om de vier jaar volledig wordt herkozen. Tot die tijd werd hij telkens voor de helft gekozen -– een mooi middel om de senaat op afstand van de actuele politiek te houden.

En nu ook deze Kamer de smaak van de politisering te pakken heeft dreigt het land ,,onbestuurbaar te worden’’, zei VVD-senator Frank de Grave vorige week in de Volkskrant . Andere senatoren vrezen Amerikaanse toestanden. Nu is de VS inderdaad een nagenoeg onbestuurbaar land, met dit verschil dat ze dáár de Senaat niet in één keer kiezen. De kiezer mag elke twee jaar een derde van de leden kiezen. Dus logisch dat dit in Nederland verkeerd gaat: het is hier Amerikaanser dan het in Amerika ooit zal worden.

Bovendien – als je Handelingen van de jaren zeventig terugleest, toen tot de huidige wijze van kiezen van de Eerste Kamer werd besloten, zie je dat ze er destijds amper over nagedacht hebben. Links en rechts oordeelden totaal verschillend over de rol van de senaat, en als compromis rolde er een indirecte verkiezing van de volledige Kamer via Provinciale Staten uit. Alle kopstukken debatteerden mee – Wiegel, Van Mierlo, Van Thijn – en de grap is: ze waren zo druk met hun elkaars beschouwingen dat ze amper aandacht hadden voor de gevolgen van hun besluit: de politisering van de senaat was een ongelukje.

Dus wie Rutte en Samsom verwijt dat ze hun positie in de Eerste Kamer hebben onderschat, moet zich realiseren dat die fout in het niet valt bij de blunder, met structurele gevolgen, die hun vermaarde voorgangers in de jaren zeventig begingen.

Terugdraaien kan alleen als mensen geduld hebben. Het vergt grondwetswijziging, een proces van minimaal twee kabinetsperiodes, en de politicus die het op zich neemt zal er Pauw & Witteman niet mee halen -– maar het zou voorkomen dat toekomstige kabinetten in de ellendige situatie van Rutte II belanden.

Frits Korthals Altes (VVD), de oud-senaatsvoorzitter (1997-2001), nu Minister van Staat, legde me aan de telefoon uit dat ook hij tot de slotsom is gekomen dat terugkeer naar de oude wijze van kiezen van de senaat de bestuurlijke stabiliteit zou helpen. Het lost niet alles op, benadrukte hij, maar het brengt de depolitisering van de senaat in elk geval op gang. En Korthals Altes wees erop dat niet hij, maar wijlen senator Jan Vis (D66), oud-hoogleraar staatsrecht en oud-NRC-redacteur, degene was die dit idee als eerste opperde.

Dus de vraag is: welke jonge politicus durft in de voetsporen van deze D66-senator te treden? Welk Titaantje wil, tegen de mode in, de strijd aanbinden met de politisering van de senaat, en pleiten voor vernieuwing door het oude kiessysteem opnieuw in te invoeren?

Rutte II zal er niet mee gered worden. Maar het zou ervoor zorgen dat de senaat zich later weer concentreert op reflectie en wetgevingskwaliteit, en niet langer onderwerp van coalitiepolitiek is.

En het zou toekomstige kabinetten kans geven weer eens te ademen. Zodat de mentale ruimte terugkeert om de vakkennis en maatschappelijke ervaring van senatoren serieus te nemen. En er uiteindelijk minder politiek uit Den Haag komt – wat ook geen nadeel zou zijn.