Kapitein, verlaat het zinkende schip niet; Soms moet men juist aanblijven om alles op te ruimen

Bestuurders nemen hun verantwoordelijkheid serieus. En dus treden ze af. Maar dat is niet altijd de beste oplossing, menen Corstin Dieterich en Willemine Willems.

Treedt ie af of treedt ie niet af? Het lijkt wel of we in een hedendaagse spin-off van Peter Jan Rens’ populaire tv-programma Doet ie het of doe ie het niet zijn beland. De formule is iets aangepast. In deze versie doet de presentator geen hilarische voorstellen aan voorbijgangers op straat, maar worden hoogtepunten uit actualiteitenprogramma’s getoond. De deelnemers krijgen beelden te zien over de laatste misstanden: een uit de hand gelopen feest in een villadorp, kindermisbruik in de rooms-katholieke kerk of Jeugdzorg, wanbeleid van banken en thuiszorgorganisaties. Daarna komen de experts aan het woord. Zij hebben gezaghebbende rapporten geschreven (van minstens 800 woorden) die veel, maar volgens het kritische publiek te weinig, schokkende, nieuwe feiten bevatten. Ook de reacties van de verantwoordelijken worden getoond. Meestal verontschuldigen zij zich voor de camera, soms vergezeld van een uitgebreide schuldbekentenis. Steeds als de presentator de videobeelden stopzet, gaat het om de vraag: treedt ie af of treedt ie niet af? Het programma is misschien minder hilarisch dan het origineel waarin Rens dropveters deelde met wildvreemden, maar het levert wel degelijk gevarieerde en spannende televisie op. Zo gebeurt er bijna altijd iets onverwachts: de een, aartsbisschop Eijck, doet het niet, terwijl iedereen vindt dat ie het wel zou moeten doen. De ander, burgemeester Bats, doet het wel, terwijl bijna niemand dat verwachtte of wenste. Welk van de twee tegenovergestelde besluiten de hoofdrolspeler ook neemt, hij vertelt dat hij handelde uit het besef dat het tijd is verantwoordelijkheid te nemen.

Mediaspektakel of realiteit, duidelijk is dat deze bestuurders graag willen laten zien dat ze hun verantwoordelijkheid serieus nemen. Dit is niet vreemd, aangezien een daarmee samenhangende vraag het publieke debat domineert: wie kunnen we als schuldige van de gebeurtenissen aanwijzen? Wie moet er aftreden? Maar zelfs als er een zondebok is gevonden, is de kous niet af. De vervolgvraag ligt al klaar: ze zijn misschien afgetreden, maar is de landing wel ‘hard’ genoeg? Lijden de topmannen wel voldoende onder het aftreden, of hebben ze inmiddels een andere mooie bestuurderspositie met bijbehorend topsalaris?

Hoewel het een duidelijke vraag lijkt, weten we eigenlijk wel dat het vaststellen van schuld niet zo eenvoudig is. Neem Michael Boogerd. Natuurlijk, iedereen is het er over eens dat hij er verkeerd aan heeft gedaan doping te gebruiken. Maar als de vraag wordt gesteld of hij daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden, wordt steevast verwezen naar de wielrennercultuur waarin het normaal of zelfs noodzakelijk zou zijn doping te gebruiken. Everyone is doing it, so why shouldn’t I? En daarbij weten we ook niet wat we erger vinden: dat hij doping heeft gebruikt of dat hij het heeft verzwegen.

Ook bij het lezen van onderzoeksrapporten valt vooral de complexiteit van de omstandigheden op waarbinnen de desastreus gebleken besluiten zijn genomen. Boogerd gaat bij zichzelf te rade waarom hij gedaan heeft wat hij niet had moeten doen, organisaties huren experts in voor vergelijkbaar zelfonderzoek. Daarbij gaat het meestal niet alleen maar over de beslissingen van specifieke individuen. Er wordt juist vaak gekeken naar de organisatiestructuren die deze besluiten in de hand werkten of goede bedoelingen saboteerden.

Zo concludeerde de commissie Deetman dat er binnen de rooms-katholieke kerk een cultuur van zwijgen heerste en dat de belangen van priesters structureel zwaarder wogen in de besluitvorming dan die van kinderen. De commissie Samson kwam onder andere tot de slotsom dat de manier waarop opvang in de jeugdzorg is georganiseerd, jongens en meisjes samen in groepen, de meisjes aan een verhoogd risico van misbruik blootstelt. Ook in het meest recente geval, de Project X-rellen in Haren, concludeerde de commissie Cohen dat daar sprake was van „een botsing van twee werelden” waardoor anderszins rationele beslissingen een hoge mate van onzekerheid teweeg hebben gebracht.

Anders dan in de debatten in de publieke ruimte rond de schuldvraag, dreigt hier een ander gevaar. Relativeren de conclusies van het rapport de feiten niet teveel? Het befaamde John Jay rapport uit 2010 over het misbruik binnen de Amerikaanse rooms-katholieke kerk is hier een voorbeeld van. De criminologische onderzoeksgroep zocht naar een wetenschappelijke verklaring voor het hoge misbruikcijfer in de rooms-katholieke kerk in de jaren zeventig. Ze keken naar allerlei organisatorische, psychologische en institutionele factoren, maar de enige significante relatie die ze konden vaststellen, was met de sociale en culturele veranderingen uit de jaren zestig en zeventig.

De verongelijkte reacties van slachtoffers en publiek konden niet als een verrassing zijn gekomen. Wie kan na zo’n conclusie nog op zijn fouten worden aangesproken? ‘It was the sixties, man.’ Zelfs de pedofiele priesters leken hiermee vrijuit te gaan.

Hoewel het belangrijk is te realiseren dat culturele, sociale en structurele verklaringen geenszins de verantwoordelijken vrijpleiten of de manier waarop ze met de situatie om zijn gegaan vergoelijken, tonen zulke gelaagde analyses wel twee andere problemen. Dat een bestuurder politiek gezien verantwoordelijk is voor de gebeurtenissen, betekent niet altijd dat hij de gang van zaken volledig had kunnen controleren. Burgemeester Bats stelde tijdens zijn publieke optreden na het uitkomen van het rapport dat hij met de kennis van nu kan concluderen dat hij in september de verkeerde keuzes had gemaakt. Maar bestaat er in het geval van irrationele geweldsuitbarstingen als die in Haren wel iets als een ‘juist besluit’? We weten nu dat de besluiten van Bats niet het gewenste effect hadden, maar het is maar de vraag of andere besluiten beter hadden uitgepakt. De verantwoordelijkheid ligt in dit soort gevallen misschien wel meer bij het ontsporende collectief, dan bij de politiek verantwoordelijken. Maar ook die constatering lost de problemen niet op. Een collectief kan immers moeilijk aangesproken worden op zijn misstappen.

Tevens moeten we ons afvragen of het aftreden van de bestuurder de oplossing van het probleem niet juist tegenwerkt. Als de kapitein besluit het zinkende schip te verlaten, is daarmee het probleem in ieder geval nog niet uit de wereld geholpen. De omstandigheden waarin de misstanden zich konden voordoen zijn immers nog steeds aanwezig. Sterker nog, misschien is de kapitein wel de meest aangewezen persoon om op het schip te blijven om zoveel mogelijk ingezetenen te redden.

Bij zijn verontschuldiging deed burgemeester Bats concrete voorstellen om de procedures rond incidentbestrijding aan te passen. We weten het niet zeker, maar hij leek bijzonder goed op een rijtje te hebben wat er nu precies moest gebeuren om de problemen in het systeem aan te pakken. Ook al lijkt het aftreden van bestuurders effectief om tegemoet te komen aan het diffuse rechtvaardigheidsgevoel dat heerst in het debat, deze vraag moet niet het debat domineren. Uiteindelijk willen we begrijpen wat er gebeurd is, om vervolgens de omstandigheden te veranderen zodat we vergelijkbare situaties kunnen voorkomen.

Enerzijds moeten we ons dus niet blindstaren op de vraag wie moet aftreden of aan de schandpaal genageld. Dat vertroebelt het debat. Maar dat betekent niet dat niemand verantwoordelijkheid moet nemen voor de situatie.

Dit hoeft echter niet altijd te resulteren in het aftreden van een bestuurder. Het kan soms beter zijn als iemand aanblijft om de rommel op te ruimen. ‘Verantwoordelijkheid nemen’ mag geen betekenisloze formule worden waarmee ons rechtvaardigheidsgevoel op magische wijze wordt bevredigd.

Anderzijds is het onvoldoende om slechts ‘het systeem’ of ‘de cultuur’ aan te wijzen als oorzaak van alle problemen. Zulke analyses leveren nuttige informatie op en kunnen helpen om problemen in de toekomst te voorkomen. Maar zij mogen niet verhullen dat er nog altijd mensen zijn die verantwoordelijk zijn voor de besluiten die zij hebben genomen.

Corstin Dieterich en Willemine Willems zijn beiden docent en promovendus aan de afdeling wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam.