'Ik verdeel en beheers'

De Nederlandse film wordt mede mogelijk gemaakt door Jeanine Hage, baas van het CoBo-fonds. Bij een sandwich zegt ze: „Ik ben Sinterklaas zonder baard.”

Er is een vrouw die al bijna vijfentwintig jaar geld uitdeelt aan bijna alle Nederlandse films. Aan bioscoopfilms: Alles is familie, Kauwboy, Alleen maar nette mensen. Of films op televisie: Briefgeheim, TBS, Zadelpijn. Als u was blijven zitten tot de aftiteling was afgelopen, had u misschien gezien dat er helemaal aan het einde stond: deze film is mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het CoBo-fonds. Kijk vanavond ook even naar Nederland 2. Om half 9 begint er een Telefilm, de eerste van zes Nederlandse speelfilms, speciaal gemaakt voor televisie en mede gefinancierd door datzelfde Cobo-fonds.

De vrouw achter het fonds is Jeanine Hage. En ik overdrijf niet als ik zeg dat zij de meest invloedrijke en minst bekende vrouw is van de Nederlandse filmwereld. Per jaar financiert ze 100 tot 120 coproducties mee. Tussen alle namen op de titelrol staat niet de hare, maar die van het fonds dat zij beheert. En dat vindt ze prima zo. Ze is graag belangrijk op de achtergrond. „Ik ben een keeper.” Tot haar vijfendertigste stond ze in het doel van haar hockeyteam (Laren dames II).

Ze is bereid haar kantoor op het Hilversumse Mediapark te verlaten voor een lunchgesprek. „Want voor de Telefilms doe ik alles.” Ze hoeft niet ver. We spreken af bij Bar Boon, een klein golfplaten gebouw op datzelfde Mediapark, met een kleine zelfbedieningsbar met broodjes en vruchtensappen. Ze heeft een tafeltje gekozen op de bovenverdieping, waar verder niemand zit behalve wij.

Ze is lang, slank en jongensachtig. Ze kijkt sip als er geen BLT-sandwich meer in de broodjesvitrine blijkt te liggen, en opgetogen als de mevrouw achter de counter de laatste voor haar bewaard blijkt te hebben. Ze draagt een damesachtig, oranje jasje en heeft haar ogen en lippen opgemaakt, meer omdat ze weet dat het zo hoort, lijkt wel, dan uit overtuiging. Ze gebruikt van die stoerejongenszakentaal die uit haar mond grappig klinkt. Ze zegt dat haar werk bij het CoBo-fonds een leuk contrast was met wat ze daarvoor deed – ze werkte bij een incassobureau. „Ineens was ik Sinterklaas. Zonder baard natuurlijk.” Ze noemt haar werk „een buitengemeen interessante piste” en praat over filmmakers die „kilometers kunnen maken” met een Telefilm voor ze aan een bioscoopfilm beginnen. En wist ik dat een flink aantal Telefilms „oorverdovend veel prijzen” gewonnen heeft?

Ik vraag hoe ze in Hilversum verzeild is geraakt. „Open sollicitatie”, zegt ze. Ze was 26, net afgestudeerd als jurist. Ze had een jaar gereisd met haar „toenmalige aanstaande ex-echtgenoot” en zat dus bij dat incassobureau. Maar waarom wilde ze dan bij de televisie? „Veel studiegenoten maakte het niet uit of ze nou trainee werden bij een supermarktconcern of bij een verzekeringsbank. Mij maakte het wel uit waar ik ging werken. Ik hield van toneel, van verhalen, van drama.” Herinnert ze zich haar eerste film? „Pastorale 1943. Met Sylvia Kristel op de fiets.” Leeftijd? „14.” Waar? „In Dordrecht. Met mijn CJP-pas. Ik woonde in Hendrik-Ido-Ambacht.”

Zij wilde iets met televisie. Of met film. Niet om zelf te maken, en zeker niet om erin te spelen. Ze wilde het mogelijk maken. Ze houdt een denkbeeldige telefoon aan haar oor, laat daarna haar vingers luchttypen en grijnst. „Toen ik zes was, maakte ik van een plankje een typemachine, knutselde van een stokje en een elastiekje een stempel en prikte bonnetjes op een plankje met een spijker.” Zij mocht, in 1989, kantoortje komen spelen bij het net opgerichte fonds, het CoBo-fonds. „Een halve meter papier, een bureaustoel en de contouren van een plan. Meer was er niet.”

Voluit heet het fonds: Co-productiefonds Binnenlandse Omroep. Het geld dat erin zit, komt van Duitse en Belgische kabeltelevisiebedrijven die Nederlandse programma’s uitzenden. Sinds de kabelarresten uit 1985 moeten kabelaars daarvoor een vergoeding betalen aan de omroepen. De omroepen stopten het geld in het CoBo-fonds en wilden dat er iets nuttigs mee gebeurde. Iets met film en televisie.

Jeanine Hage bedacht nog een andere bestemming voor het geld. Een nieuw genre, iets dat tussen speelfilm en televisieserie in zit: de Telefilm. Een film van maximaal anderhalf uur, speciaal gemaakt voor televisie, bedacht en gemaakt door niet per se bekende scenarioschrijvers en regisseurs. Films die misschien niet meteen volle bioscoopzalen trekken, maar wel de belangstelling van een half miljoen huiskamers.

Het heeft even geduurd voor alle omroepen blij waren met de Telefilms. Ze vonden het gedwongen winkelnering waarvoor ze plaats moesten maken op ‘hun’ uitzendavond. Maar tegenwoordig zijn er uitzendschema’s, en ligt precies vast welke omroep op welke avond moet uitzenden, en ook wat voor soort programma dat dan moet zijn. Op dinsdagavond half negen moet een programma ‘maatschappelijk’ en ‘verdiepend’ zijn. De zes Telefilms dit jaar gaan over asielzoekers, demente bejaarden en een lesbisch ouderpaar. Twee van de zes draaien ook in de bioscoop. „Dat gebeurt wel eens. Dan wordt er zelfs wat aan verdiend.” Jeanine Hage doet alsof ze een veertje wegblaast. „Meestal is het één avond uitzending op tv en dan is het, fttt weg.”

Gemiddeld kost het acht ton om een Telefilm te maken. De films worden zelden op dvd uitgebracht. „Dan moet je alle beeld- en muziekrechten afkopen. Dat is veel te duur.” En toch is die ene uitzending de moeite en het geld waard. „Het houdt de infrastructuur van de Nederlandse film in stand. Kleurcorrectie, geluidbewerking, special effects, montage gebeurt allemaal in eigen land.” En af en toe levert het een ster op. Carice van Houten debuteerde in Suzy Q, een Telefilm uit 1999.

Hard tegen hard

Jeanine Hage kan per jaar 13 miljoen euro uitgeven. „Ik verdeel en beheers.” Als het moet, gaat ze het geld halen. Om de zoveel jaar lopen de contracten met Vlaamse, Waalse en Duitse kabelaars af, en moet er opnieuw onderhandeld worden over de vergoeding. „Hard tegen hard. Zij vinden dat het wel voor niks kan. Ik vind van niet.” Zij stapt dan op haar grote gele motor naar Brussel of naar München om „binnen te harken” wat haar redelijk lijkt.

Ze heeft trouwens ook een groot rijbewijs, zegt ze terloops, maar zo getimed dat ik wel moet vragen waarom. „Af en toe rij ik een vrachtje door Europa.” Ze glundert. „Ge-wel-dig. In zo’n grote vrachtwagen. Naar Londen of Parijs.” Ze doet het om niet en gewoon voor de lol, zegt ze. „Ik heb mijn diensten aangeboden aan een transportbedrijf. Als ze dringend een chauffeur nodig hebben, kunnen ze me bellen.” Wat de lol is van een weekend op de weg, wordt me niet duidelijk. Dat komt later pas.

Nog even terug naar dat verdelen en beheersen. De omroepen kiezen welke film er gemaakt zal worden. Jeanine Hage zegt alleen ja of nee tegen de begroting van de film, en neemt gemiddeld twintig procent daarvan voor haar rekening. Met de inhoud bemoeit ze zich niet. „Of ik een film mooi of lelijk vind, doet er niet toe.” Dus, als het plan in orde is, geeft zij een zak met geld? Ze doet alsof ze zich verslikt. „Geen denken aan.” Ze wrijft met haar wijsvinger over haar duim. „Zeeuws meisje hè. De inspecteur van de Belastingdienst zei dat hij nog nooit een non-profitorganisatie zag waar alles zo goed op orde is. Elk dubbeltje wordt genoteerd.”

Ik vraag of in het huis van de timmerman de deur scheef hangt. Ze kijkt verbaasd. Of ze thuis ook zo precies is, bedoelde ik te vragen. Ze antwoordt via een zijpaadje. „Ik hak mijn eigen hout”, zegt ze. „Heb ik het twee keer warm. Van het zagen én het stoken.” En ze heeft al het houtwerk aan de buitenkant van haar huis zelf geschilderd. „Twee keer rondom van onder tot boven”, zegt ze.

Stoer, zeg ik.

Ja hè, zegt zij.

Ik vraag waar ze woont. Dat zegt ze liever niet. Dat vind ik gek. Nou vooruit, zegt ze. „In Laren. Maar aan de andere kant van de weg heet het gewoon Hilversum.” Waarom zo ingewikkeld? „Ik wil niet patsen”, zegt ze. Nu ben ik verbaasd. Ze heeft toch nog niks patserigs gezegd? „Ik beheer gemeenschapsgeld en heb een normaal salaris. Ik wil niet dat mensen denken dat ik in een riante villa woon.” Dat dacht ik niet.

Wat ze bedoelt te zeggen is dat ze alleen maar in haar net iets te grote, vrijstaande huis kan wonen, omdat ze alles zelf onderhoudt en opknapt en zelden met vakantie gaat (vandaar die vrachtwagenritjes, dat zijn een soort minivakanties). En ze woont daar, omdat ze niet ook nog een verhuizing wilde na de scheiding van de vader van haar twee dochters. Ze zijn nu 21 en 19. Ze heeft ze alleen opgevoed. „Wel zo handig dat mijn werk dicht bij huis is.”

Stoer, zeg ik.

Ja hè, zegt zij.

Snel stapt ze over op haar zakenmannentaal. „Kwestie van geen afspraken maken voor half tien ’s ochtends. Nee hoor, zeg ik altijd, dan is mijn haar nog niet droog.”