Column

Identiteit als betekenisgeving

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Het is gewoonte in deze krant niet te reageren op reacties, om het debat niet te smoren. Dat twee leden van de Raad voor Cultuur mijn stukje van twee weken geleden over hun museumnota ‘hysterisch’ noemden (Opiniepagina 8 maart) was dermate knap onderbouwd dat ik het ook niet van plan was.

Maar toen herlas ik de oorspronkelijke nota van de Raad, Ontgrenzen en Verbinden, en herkende weinig van wat Lejo Schenk en Edwin Jacobs aan lammetjespap serveerden in hun ingezonden brief. De Raad wilde alleen maar helpen, zodat iedereen fijn kon samenwerken, de musea mochten zelf alles bepalen en regisseren.

Nou, dat was niet wat er stond. Dat was ook niet wat de museummensen en kunstenaars die me mailden na mijn stukje, er in hadden gelezen. Als Schenk en Jacobs denken dat alle neuzen in hun richting staan dan hebben zij het mis. Men had hun rapport genegeerd in de hoop dat het zou overwaaien.

De auteurs herschreven in hun brief een nota die totalitair padvindersjargon combineerde met geitenwollensokkenproza. Even voor de smaakpapillen: „Met erfgoed als grondstof wordt er aan de lopende band identiteit gecreëerd in de vorm van betekenisgeving.”

Daar kan je na flink mondspoelen nog wel mee leven. Maar de dreigementen waren minder verteerbaar, wie niet meedoet zit straks helemaal fout. Er dient „regie te komen op de samenhang van het bestel”.

Denken over individuele musea mag ook niet meer: „Het Rijksmuseale bestel is vooral instellingenbeleid en geen bestelbeleid”, constateert de nota afkeurend. En dan zwelt de ontgrenzingslyriek aan. Een gebouw zegt hoogstens iets over het verleden van een museum, maar niet over zijn rol in de (gedroomde) Collectie Nederland. Alle scheidslijnen moeten weg, tussen sectoren, tussen materieel en immaterieel erfgoed, tussen markt en museum, tussen heden en verleden. Voor een optimale ‘vreemdheidservaring’.

Ik kan eindeloos citeren uit deze bleke bureaucratenfantasie. O jee, vinden ze dat ook hysterisch? Rustiger gezegd, het is een slecht geschreven nota vol cultuurclichés en een venijnig soort dwingelandij. Een diepe la zou een waardige bestemming voor dit rapport zijn als het niet paste in een verontrustender patroon.

De Raad voor Cultuur en zijn voorgangers hebben altijd geprobeerd het geld dat de politiek aan kunst en cultuur wil uitgeven volgens toetsbare criteria te verdelen. Voorzover dat kan. Bewindslieden en parlement lieten die beoordeling over aan de Raad en haar commissies. Hoogstens seinden ingevoerde kunstambtenaren nog wel eens door wat zij mooi vonden.

De politiek keerde daarmee de inhoud de rug toe. Anders dan toneelregisseur Johan Simons ervaart bij zijn Münchener Kammerspiele, waar het stadsbestuur trots is op wat hij doet, ook als ze het lelijk vinden. Geen oordeel uitspreken over film, muziek, toneel of literatuur hoeft niet te betekenen dat je er niets van vindt of niet om geeft. Maar dat is het hier langzamerhand vaak wel gaan betekenen. De politiek ging er niet over en deed er niet aan.

Als in de Kamer geen brede, partijen overstijgende coalitie bestaat die beseft dat het poppenhuisbudget voor de kunsten er niet is voor kunstenaars maar om iedere Nederlander een kans te geven op een tweede blik op het leven, dan blijft het stil bij iedere volgende bezuinigingsronde, onder wat voor zoetgevooisde naam ook.

Het verraste daarom niet dat amper werd gereageerd toen de ministers Blok en Bussemaker 34 rijksmonumenten te koop zetten, zoals de Vesting Naarden, de Sassenpoort in Zwolle, de Sint Baafskerk in Aardenburg, het Westfries Museum in Hoorn en de Gedenknaald Koning Willem III in Apeldoorn. Allemaal sporen van wie we waren en hoe we zijn geworden wie we nu zijn. Dat is identiteit die niet hoeft te worden uitgevonden.

Ja, zegt Bussemaker in antwoord op Kamervragen van Vera Bergkamp (D66), ik weet dat erfgoed-organisaties als Heemschut tegen die verkoop zijn, maar 97 procent van ons gebouwd cultureel erfgoed is al in particuliere handen, en dat gaat prima. Minister Blok, die over rijksgebouwen gaat, wil die monumenten ook best overdragen aan een Nationale Monumentenorganisatie. Als de markt niet hapt.

Ook dat past binnen het patroon. We weten er weinig van, we geven er niet echt om, het verleden is al zo lang geleden, als er geen partycentrum in wil komen, dan maar een stichting. Dat is al jaren het beleid met rijksmusea. Die moeten ook allemaal in een stichting worden ondergebracht. Als het even kon moeten én het gebouw én de collectie daar belanden. Het Rijk wast vervolgens zijn handen in efficiency.

Welke winst wordt daar geboekt? Als zo’n stichting op de markt niet scoort, als de bliksem in het monumentale paleisje slaat, wat dan? Kijkt het Rijk dan de andere kant op? Het zou logischer zijn als landelijk werd vastgesteld welke gebouwen en verzamelingen de ontwikkeling van dit land karakteriseren. Die zijn Nederland. Daar hoort het Rijk voor te willen zorgen. Of zegt Den Haag: wij zijn als hoeders van de nationale cultuur niet te vertrouwen?

Ook van de eigendomsverhoudingen maakt het rapport van de Raad voor Cultuur een bouillabaisse. Het onderscheid tussen Rijks- en andere musea vervalt. Maar het Rijk neemt verantwoordelijkheid voor de (niet bestaande) Kerncollectie Nederland. Niet alleen het verleden is passé, ook eigendom is iets voor historici. Wanneer gaat in Den Haag die verstandsverbijstering over de rol van de overheid eindelijk eens voorbij? Zo moeilijk was het niet.

U kunt de auteur e-mailen via opklaringen@nrc.nl