Hoe Nederland kan afkicken van olie en gas

Energie

Deze week gooide TNO de knuppel in het hoenderhok. Nederland is verslingerd aan fossiele brandstoffen, en die afhankelijkheid kun je niet een-twee-drie afbouwen, schrijft het instituut. Vier deskundigen reageren.

Nederland drijft als weinig andere economieën in Europa op fossiele energie. De staat verdient nu jaarlijks 50 miljard euro op de verkoop van, en belastingen op olie en gas, zo schreef kennisinstituut TNO eerder deze week in een rapport. Dat is omgerekend eenvijfde van alle staatsinkomsten, aldus TNO – hoewel dat getal enigszins geflatteerd is (zie kader Energiestromen). Maar dat blijft niet zo. Het eigen gas raakt op, en klimaatverandering dwingt tot een radicale vermindering van de CO2-uitstoot. Nederland staat een metamorfose te wachten.

En daar waarschuwt TNO voor. Pas op! Een te radicale breuk met olie en gas kan onze economische positie wezenlijk verzwakken als we niet tegelijkertijd duurzame alternatieven ontwikkelen. Maar waar kunnen we straks ons geld mee verdienen? De aanleg van windmolenparken op de wereldzeeën? De elektrische auto? Biobrandstoffen? Of houden we zo lang mogelijk vast aan fossiele energie en ondergrondse opslag van CO2? Een visie ontbreekt, stelt TNO – dat het rapport opstelde in samenwerking met het Energieonderzoek Centrum in Petten en het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling in Utrecht. Het is hoog tijd dat die er komt.

Vier deskundigen zijn gevraagd te reageren. Waar liggen onze kansen? Hoe verdedigt het gevestigde bedrijfsleven zijn belangen? Waarom schiet het in Nederland maar niet op met duurzame energie? Wat moet er gebeuren om klimaatopwarming tegen te gaan?

Marko Hekkert, hoogleraar innovatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht, wil eerst reageren op het TNO-rapport: “Het benadrukt te veel de zittende macht. De strekking is: fossiel is zo belangrijk voor Nederland, dat kunnen we niet veranderen. Het stoort mij mateloos, die framing dat we fossiele energie nog heel erg lang nodig hebben. Wat men altijd zegt is: ja, we weten dat het gaat veranderen, maar nu nog even niet. Alsof er geen klimaatprobleem is. We moeten nú iets doen!”

Mart van Bracht, directeur energie bij TNO: “We benadrukken alleen dat we als Nederland een goede visie moeten ontwikkelen. Gaan we al onze duurzame technologieën zelf ontwikkelen? Of kopen we de windmolens en de zonnepanelen in het buitenland, en leggen wij ons bijvoorbeeld toe op een chemiesector die olie inruilt voor plantaardige grondstoffen om plastics, verf, lijm en wat al niet te maken. Of verdienen we straks geld met kassen die energie leveren in plaats van verbruiken?”

Jeroen van den Bergh, hoogleraar milieueconomie aan de Universitat Autònoma in Barcelona en aan de Vrije Universiteit in Amsterdam: “De concurrentiestrijd om windturbines hebben we al verloren van Denemarken. Bij zonnepanelen liggen Duitsland en China mijlenver op ons voor. Biomassa heeft ook niet zoveel toekomst. Ik ben niet zo heel optimistisch over de kansen van Nederland.”

Hekkert: “Omdat we al twintig jaar alleen maar zitten na te denken en te praten. Wanneer gaan we nou echt eens wat doen?”

Achterblijver

Het aandeel duurzame energie in Nederland bedroeg in 2011 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 4,3 procent. Cijfers van 2012 zijn er nog niet. Nederland scoort daarmee als een van de laagste in Europa. Hoe kan dat? En is dat erg?

Hekkert: “Dat lage percentage tekent de gebrekkige ambitie van de politiek.”

Van den Bergh: “Ik vind die 4 procent totaal geen probleem. Feit is dat Nederland relatief veel basisindustrie heeft die gebaat is bij goedkope energie. Chemie, voedselverwerking, glastuinbouw, raffinage. En feit is dat duurzame energie nog steeds duurder is dan fossiele. Als je als Nederland in je eentje zwaar inzet op duurzaam, drijf je de kostprijs van veel industrieën op. Hetzelfde gebeurt als je eenzijdig streng klimaatbeleid voert. Dan wordt onze export duurder. Bedrijven die veel energie verbruiken vertrekken, en bouwen hun fabrieken elders. Daar schiet het klimaat niks mee op.”

Jip Lenstra, hoofd energie bij het Rotterdamse adviesbureau Ecorys en voorheen jarenlang sectorhoofd energie op het ministerie van Milieu: “Waarom we pas op 4 procent zitten? Wisselvallig overheidsbeleid. Je kunt duurzame energie stimuleren via regelgeving of via subsidies. De Duitsers bijvoorbeeld hebben voor regelgeving gekozen. Maar dat heeft in Nederland het rechter deel van de politiek nooit gewild. Zo min mogelijk vastleggen, was de gedachte. Duurzame energie moet niet te serieus worden. Als compromis is voor de weg van subsidies gekozen. Twintig jaar lang al. Subsidies worden gestart en weer stop gezet. Welke technologie wordt gesubsidieerd, verandert steeds. Er zit totaal geen lijn in. Investeerders weten niet waar ze aan toe zijn, en blijven weg.”

Hoogleraar milieueconomie Van den Bergh: “Nederland krijgt het kabinet dat de kiezer wil. Blijkbaar is de consument niet geïnteresseerd in duurzame energie. Met uitzondering van een kleine, altruïstische groep. Dat is misschien 5 procent van de bevolking. De andere 95 procent gaat gewoon voor de laagste prijs. En dat is nog steeds fossiele energie.

“Ik vraag me trouwens af of de Duitsers het wel zo slim hebben aangepakt. Ze hebben tientallen miljarden geïnvesteerd in hun zonnesector. En nu wordt het ene na het andere Duitse bedrijf uit de markt gedrukt door de Chinezen. Die miljarden hadden ze ook kunnen gebruiken om alle landen wereldwijd te paaien een nieuw Kyoto-verdrag te tekenen, en zo overal de uitstoot van CO2 duurder te maken. Dan had je veel meer bereikt voor het mondiale klimaat.”

Hoogleraar innovatiewetenschappen Hekkert: “Een typisch economenargument. Ik zeg: dankzij de Duitsers is er een enorme markt ontstaan voor duurzame energie. Het heeft tot een innovatiegolf geleid. De wereld mag Duitsland juist dankbaar zijn.”

Van Bracht van TNO: “Behalve dat inconsistente beleid is er in Nederland maar weinig op energiegebied wat niet op weerstand stuit bij de bevolking. Windmolens, ondergrondse opslag van CO2, schaliegas. Dat maakt het ook lastig.”

Gevestigde belangen

Hekkert: “De gevestigde bedrijven lobbyen in Den Haag continu voor hun belang. Ze willen maar één ding: goedkope fossiele energie. Ik heb promovendi die dat in kaart proberen te brengen, maar het is erg lastig om er een vinger achter te krijgen hoe de lijntjes lopen.”

Lenstra: “Ik geloof niet zo in een complot vanuit de fossiele wereld. Ik heb in mijn tijd op het ministerie van Milieu in ieder geval nooit iets gemerkt van obstructies.”

Milieu-econoom Van den Bergh: “Er wordt wel eens vergeten dat er ook gewoon klassieke marktmechanismen spelen. Als je duurzame energie stimuleert, vergroot je de totale hoeveelheid energie op de markt. Dan komt er een overaanbod, gaat de prijs van energie omlaag, stimuleer je het verbruik en krijg je meer CO2-uitstoot. Er is nog een andere basale economische wet. Als je de prijs van duurzame energie verlaagt via subsidies, voelt de fossiele sector dat als aansporing om sneller olie en gas op te pompen, om zo veel mogelijk geld uit de resterende bronnen te halen. Ook dat zorgt voor een overaanbod, dalende prijzen en uiteindelijk een toenemende vraag. Het staat bekend als de groene paradox.

“Nog zoiets: energiebesparing. Als je auto’s of huizen zuiniger maakt, zal de consument de neiging hebben verder te rijden, of de verwarming een paar graden hoger te zetten. Dat heet het rebound effect. Ze maken besparingen deels ongedaan, soms zelfs helemaal. Kijk naar het benzine- en dieselverbruik in Nederland. Auto’s worden zuiniger, maar het verbruik groeit al sinds het midden van de vorige eeuw. Een kleine dip uitgezonderd, na de economische crisis in 2008.”

Wat is er nodig?

Hekkert: “Willen we te ernstige klimaatopwarming nog voorkomen dan zijn er radicale innovaties nodig. En die komen zelden van gevestigde spelers. Door de energietransitie zal de industriële structuur veranderen. Creatieve destructie noemen we dat.”

Voormalig milieu-ambtenaar Lenstra: “Wat de duurzame wereld structureel onderschat, is de innovatiekracht van het bestaande fossiele systeem. Met nieuwe technologie weet ze steeds nieuwe voorraden aan te boren en de prijs van fossiele energie relatief laag te houden. Je ziet het nu met de winning van schaliegas en schalie-olie in de Verenigde Staten. Vijf jaar geleden maakten ze zich daar nog zorgen over hun groeiende afhankelijkheid van gasimport. Dat is compleet gekeerd. Door nieuwe technologie kunnen ze nu voorheen onrendabele voorraden aanboren.

“Wil Nederland meer duurzame energie dan zullen we meer met regelgeving moeten werken. Stel doelen, en hou er aan vast.”

Van Bracht van TNO: “Ik vind dat er eerst een goed toekomstplan moet komen voor ons land. Als het goed is komt de Sociaal Economische Raad daar over drie maanden mee. Dan moeten we er ook zo snel mogelijk mee aan de slag. De Brusselse doelstellingen voor 2020 vind ik minder belangrijk. Maakt het zoveel uit of we dan 10, 16 of 18 procent duurzame energie hebben? We kunnen ons beter op 2050 richten.”

Hekkert: “Je hebt visie en overtuiging nodig van je politieke leiders. Die zie ik niet. Ik ben cynisch geworden. De markt voor duurzame energie is enorm, en we laten de ene na de andere kans aan ons voorbij gaan.”

Van den Bergh: “Er is uiteindelijk maar één manier: de prijs voor CO2 moet omhoog. Mondiaal. Zodat industrieën overal ter wereld evenveel geprikkeld worden over te stappen op CO2-arme technologie, en niet hun bestaande vervuilende fabrieken kunnen verplaatsen naar landen waar CO2 nog niet is belast. Er moet een vernieuwd Kyoto-verdrag komen. En we hebben niet veel tijd meer. Het klimaat warmt op. Dat is evident. Ik woon in Barcelona. Er zijn tegenwoordig al dagen in januari, februari dat het 20 graden Celsius is. Dat had je vroeger niet. Als CO2 niet snel wereldwijd een reële prijs krijgt, zie ik het somber in.”