Hij zet een grandioos stadspaleis neer

Guillelmo Bartolotti is in zijn tijd een van de rijkste mannen van de stad – en daarmee van de wereld.

Geef hem ongelijk – wie zou het niet doen? Willem van den Heuvel, geboren in 1560, mag erven van zijn kinderloze oom en tante, op één voorwaarde. Hij moet de naam van zijn oom aannemen, een Italiaanse edelman. En dus verruilt Willem van den Heuvel zijn oer-Hollandse naam voor het veel exotischer klinkende Guillelmo Bartolotti.

Guillelmo groeit op in Hamburg, een toevluchtsoord voor protestanten die zich in eigen land niet langer veilig wanen. Zijn vader trekt erheen vanuit Delft, zijn oom vanuit Bologna. Wanneer zijn beide ouders zijn overleden, ontfermen zijn oom en tante zich over het gezin. Zij wijden Guillelmo in in de geheimen van het koopmanschap.

Na de dood van zijn oom zet Guillelmo het familiebedrijf voort. Holland, het land van herkomst van zijn vader, dat juist het Spaanse juk heeft afgeschud, is spectaculair in opkomst. Rond 1600 vestigt Bartolotti zich in Haarlem, om tien jaar later te verhuizen naar het epicentrum van de economische grootmacht in wording: Amsterdam. Hij handelt, zoals dat ging in die tijd, in alles wat maar winst belooft: graan, huiden, hout, zout, wapentuig en nog veel meer. En groeit uit tot een van de rijkste mannen van de stad – en daarmee van de wereld. In 1631 is er slechts één Amsterdammer wiens vermogen voor de belastingen hoger wordt aangeslagen.

Bartolotti meet zijn rijkdom breed uit. In 1618 koopt hij twee belendende erven aan de nieuw aangelegde Herengracht, op de meest prominente locatie – tussen de Leliegracht en de Hartenstraat, precies op de plek waar de gracht een knik maakt. Hij zet er een grandioos stadspaleis neer met een monumentale gevel die als een drieluik meebuigt met de gracht. Het maakt het huis tot het natuurlijk middelpunt van de straat; van welke kant je ook aan komt lopen, het eist vanzelf de aandacht op. Met twee spreuken op de gevel geeft Bartolotti de sleutel tot zijn succes prijs: door vernuft en noeste vlijt (ingenio et assiduo labore) en door godsdienst en rechtschapenheid (religione et probitate).

Bartolotti richt zijn huis in naar de normen van de superrijken, met goudleer en tapisserieën aan de wanden, fijn bewerkte meubels en overdadig zilverwerk. Het hele huis, tot de kamers van de dienstboden aan toe, hangt vol met schilderijen. Het pronkstuk is de grote zaal, bestemd voor feesten en ontvangsten. Ambassadeurs en andere hooggeplaatsten komen zich hier vergapen aan de pracht en praal.

Na de dood van Bartolotti in 1634 zet zijn zoon Guillelmo II de zaken voort. Onder zijn leiding ontwikkelt de firma zich tot een van de grootste bankiershuizen van Amsterdam. De derde generatie slaat vervolgens een andere richting in. Jan Baptista Bartolotti, die dan aan het roer staat, liquideert het bedrijf in 1689, en gaat stil leven van zijn geld. Eind zeventiende eeuw heeft de Nederlandse economie aan kracht ingeboet. Het lef is er uit, investeerders willen hun geld niet langer in de waagschaal stellen. Durfkapitaal vlucht weg naar veilige staatsobligaties; de koopman maakt plaats voor de rentenier.

Naar regentenfuncties heeft de familie Bartolotti, naar het lijkt nooit getaald, en er is weinig meer dat Jan Baptista nog aan Amsterdam bindt. In 1689 verlaat hij het huis waar tot de dag van vandaag de naam Bartolotti aan verbonden is. Hij gaat buiten wonen, in een kasteel bij Jutphaas.