De bezem door de WW

Wie er de internationale vergelijkingen op naslaat, kan niet om de conclusie heen dat Nederland een werknemersparadijs is. De ontslagbescherming hoort tot de strengste ter wereld – vrijwel nergens is het lastiger of kostbaarder om een werknemer te ontslaan.

De werkloosheidsuitkering behoort tot de meest ruimhartige, met een van de langste periodes en een van de hoogste uitkeringspercentages. Wie het ontslagregime en de werkloosheidswet bij elkaar optelt, zal er zonder twijfel op uitkomen dat de werknemer internationaal gezien een zeer sterke, misschien de sterkste positie heeft.

Dat geldt echter niet voor alle werknemers. Net als in veel andere, Europese, landen is er de afgelopen decennia een tweedeling ontstaan tussen gevestigde werknemers met een vaste baan die alle voordelen van bescherming en opvang genieten en het jongere contingent op de arbeidsmarkt. Voor deze jongeren ontbreekt ontslagbescherming goeddeels of hun arbeidsverleden is te kort om van het ruimhartige WW-regime te profiteren. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt is flexibiliteit inmiddels regel, met oproepbanen, payroll-bedrijven en uitzendwerk. Het begin van een hedendaagse loopbaan is weinig anders: het doorrollen van tijdelijke contracten met voor de vorm een onbetaalde vakantie waarna de jonge werknemer wederom op tijdelijke contracten terugvalt.

Nederland heeft daardoor een groeiend aantal werkers die in de praktijk in wezen zelfstandig zijn, of schijnzelfstandig. Vaak uit vrije keus, vaak ook onvrijwillig.

In dit licht moeten de veranderingen in de ontslagbescherming en WW die het kabinet wil doorvoeren, worden gezien. Een versoepeling van het ontslagrecht klinkt hardvochtig, maar is dat in wezen niet: zij stimuleert bedrijven om meer mensen in vaste dienst te nemen. Dat gaat zeker op voor het jongere deel van de natie.

De versobering van de WW is daarbij een kwestie van kosten en van internationale concurrentiekracht. Duitsland nam nu al weer negen jaar geleden een serie harde maatregelen, waaronder een afbouw van de WW-regeling tot één jaar, met daarna een op de bijstand lijkende regeling. Dat komt overeen met wat Nederland nu pas van plan is in te voeren.

Nederlandse werknemers behoren nog steeds tot de productiefste ter wereld. Maar de voorsprong kalft snel af. De ontwikkeling van de loonkosten per eenheid product, waarin ook sociale premies zijn verdisconteerd, lijkt sinds de invoering van de euro veel meer op die van de zuidelijke landen dan op die van Duitsland.

Het kabinet wil zich bij maatregelen op dit vlak verzekeren van de steun van werkgevers- en werknemersorganisaties. De onderlinge gesprekken van de sociale partners begonnen gisteren formeel in de Stichting van de Arbeid. Hier ontstaat wel een risico: de prijs van de sociaal-economische rust die Rutte-2 nastreeft, krijgt al snel de vorm een compromis waar niemand wat aan heeft. Dat geldt ook voor het voorstel van president Knot van De Nederlandsche Bank om oudere werknemers te ontzien bij veranderingen in het arbeidsrecht en de WW. Jongere generaties kunnen dit zien als een voorbeeld te meer dat de ouderen uit de gure wind worden gehouden die nu al vijf jaar in de economie waait.

Dat nu juist in tijden van grote economische tegenslag deze maatregelen dienen te worden genomen, is pijnlijk. Maar te timen zijn ze nooit. Ten tijde van een hoogconjunctuur ontbreekt er vaak de motivatie voor. Wellicht is dit jaar zelfs het goede moment. Middenin de crisis is er een gerede kans dat de veranderingen in het ontslagrecht en de WW pas voelbaar worden als de economie en de arbeidsmarkt weer aantrekken. En op de langere termijn moet worden gerekend op een krappe arbeidsmarkt.

Nederland heeft hoe dan ook een inhaalslag te maken. De veranderingen in Duitsland, die in 2004 werden afgerond, waren radicaal en politiek ondankbaar voor de regering-Schröder, die er de verkiezingen mede door verloor. Maar nu, na vijf jaar financiële crisis, is de conclusie dat Duitsland zich uitstekend staande houdt. De economische groei is er het hoogst.

De relatieve voorspoed en de schokbestendigheid van de economie hebben ertoe bijgedragen dat de Duitse begroting volgend jaar al in evenwicht is en harde bezuinigingen niet nodig zijn. Dat is een voorbeeld dat niet alleen navolging verdient, die is zelfs vereist.