Als ik dans, hoef ik niet te praten

Igone de Jongh (33) danst de vrouwelijke hoofdrol in Romeo en Julia van Het Nationale Ballet, waar ze al sinds haar zestiende werkt. „Ik ben zekerder geworden. Niet meer aan alles twijfelen, en soms denken: bekijk het.”

Wederopstanding

„Mijn ouders hadden een naam bedacht, Ramona, maar toen ik was geboren, dachten zij: dit ís geen Ramona. Mijn opa, een wijze Chinese man, zei: ‘Noem haar Igone’. Zo heette een vriendinnetje dat hij vroeger had. Mijn ouders hebben dus niet opzettelijk zoiets diepzinnigs als ‘wederopstanding’ gekozen. Ik ben niet religieus opgevoed, al geloof ik wel dat er iets groters is. Toen mijn zoontje Hugo voor het eerst in mijn armen lag, dacht ik dat ik mijn moeder zag. In zijn ogen, zijn gezichtje. Zij overleed drie jaar voor zijn geboorte aan kanker. Hij doet – dat is wel raar – bepaalde dingen net zoals zij. Speelt op precíés dezelfde manier met zijn haar. Door hem is het gevoel van onvoorwaardelijke liefde, zoals ik voor mijn moeder had, weer in mijn leven.”

Niet praten

„Ik was als kind een beetje jongensachtig. Bomen klimmen met mijn grote broer. En heel verlegen. Heel, heel verlegen. Met mensen praten vond ik vervelend. Vanaf het moment dat ik op ballet mocht, was alles daarop gefocust. Daar hoefde ik niet te praten, maar kon ik me wel uiten. De muziek sprak me aan, de fysieke kant. Het harde werken vind ik lekker. Als we vakantie hebben, ben ik na twee weken klaar, dan wil ik weer wat voelen in mijn lijf. Mijn man Mathieu is net gestopt met dansen [Mathieu Gremillet is nu creatief filmmaker in opleiding bij Het Nationale Ballet – red.] en vindt het heerlijk om niets te doen, maar ik kan het niet. Hij begrijpt dat.”

Romeo en Julia

„Hartstocht en passie in de liefde ken ik. Negen jaar geleden was het met Mathieu vrijwel liefde op het eerste gezicht en die heftige verliefdheid heeft ontzettend lang geduurd. Heel anders natuurlijk dan de liefde voor je moeder of je kind, gecompliceerder. Die ervaring kan ik gebruiken. Spannend: ik dans nu met een nieuwe partner, Matthew Golding. Al mijn andere Romeo’s waren homo’s. Matthew is echt een vént, dat helpt toch. Toen ik voor het eerst Romeo en Julia danste, was ik vreselijk jong en wat Rudi [van Dantzig, choreograaf van Romeo en Julia – red.] van mij wilde, kon ik nog niet geven. Op televisie heeft hij wel eens opmerkingen over mij gemaakt die mij erg hebben gekwetst. Dat hij niet wist of het er wel in zat. Zo was Rudi. Maar hij deed het wel met een idee, denk ik, om je verder te brengen. Rudi wilde mensen die konden lijden, dat vond hij mooi en interessant. De laatste keer dat ik Julia danste, zag hij wel in me wat hij zocht. Het was vlak na het overlijden van mijn moeder en ik was een emotioneel wrak. Bij het repeteren van de laatste scène in de graftombe raakte ik telkens zo overstuur, van die muziek, de dood... ik kon het niet. Rudi zei: We doen het gewoon niet. Je kent de passen, we doen het op de première. Dat was óók Rudi.”

Het Nationale Ballet

„Natuurlijk heb ik wel eens nagedacht over dansen in het buitenland, maar ik wil helemaal niet weg. Ik heb een prachtige carrière hier, met fijne mensen, mooi repertoire. Dat zou ik ergens anders niet beter hebben. Ik ben gek op Amsterdam, het dorpsgevoel, dat gewone van Nederlanders. Laatst waren we een weekendje in Londen bij Federico Bonelli met wie we bevriend zijn gebleven nadat hij bij Het Nationale Ballet is vertrokken. Hij is solist bij het Royal Ballet, een ster, met een salaris van ik weet niet wat. Ik zie dat en denk: wat heb ik het goed thuis. Londen is groot, veel, duur, met overal toeristen, Federico doet er een uur over om thuis te komen met de metro terwijl ik alles met de fiets af kan. Ik vind het wel goed hier.”

Pijn

„Toen ik elf was, kreeg ik een ernstige blessure. Zo ernstig dat het onzeker was of ik nog zou kunnen dansen. Mijn podiumcarrière ben ik echter zo goed als schadevrij doorgekomen. Echte pijn kende ik eigenlijk niet, tot mijn bevalling. Ik moest worden ingeleid, omdat door hoge bloeddruk gevaar voor zwangerschapsvergiftiging dreigde. Het ging veel te snel. Niet weeën, even pauze en weer weeën, maar één grote wee van zes uur. Mijn baarmoeder scheurde. En ik maar denken dat ik geen pijnstilling mocht vanwege die bloeddruk, bovendien ben je als danser gewend te denken dat pijn erbij hoort. Ook Mathieu had een paar dagen nodig om bij te komen. Die wil zoiets geen tweede keer meemaken. Dit weet ik wel: als ik weer zwanger word, stop ik met dansen.”

Háns van Mánen

„Ik ben zekerder geworden. Niet meer aan alles twijfelen, en soms denken: bekijk het. Hans heeft mij daarin gevormd. Hij zei: ‘Je hoeft niet steeds te proberen iemand anders te zijn. Daar moet je mee ophouden.’ Ja, dacht ik, hij heeft gelijk. Ik ben niet heel extravert en dat past bij zijn stijl. Geen franje. Met zijn onvoorwaardelijke vertrouwen haalt hij het beste uit mij. Bij andere choreografen voel je dat niet altijd, meestal omdat ze je niet echt een mooie danseres vinden, daar komt het op neer. Maar als Hans, Háns van Mánen dat wel vindt, dat kan niet beter. William Forsythe schonk me ook direct zijn volle vertrouwen. Maar dat doet hij bij iedereen hoor.”

Nederlands DNA

„Nu ik moeder ben, is het werk, in de studio en op toneel, iets voor mezelf geworden. Ik vind het leuker. Vroeger vond ik de verantwoordelijkheid die je hebt als eerste solist moeilijk, nu is het een uitdaging. Het lijkt me fijn, en die verantwoordelijkheid voel ik ook, om mijn ervaring door te geven. Ik heb zoveel meegemaakt. Ik ben opgegroeid met Hans, Rudi, Toer, het Nederlandse DNA; er zijn in de groep bijna geen dansers meer die dat hebben. Ik ben me bewust van mijn verantwoordelijkheid als rolmodel. Als ik zie dat een meisje in de groep in twee weken vijf kilo afvalt, stap ik erop af. Ik wil dat vooral de heel jonge meisjes het goede voorbeeld krijgen, ook voor hun werkhouding. Het elke dag in de les staan, hoe je met balletmeesters en choreografen omgaat. Zo ben ik zelf opgevoed hè, door Valerie Valentine, Coleen Davis, Nathalie Caris, die generatie. Daar stond wel wat.”

Kritiek

„Wij worden de hele dag met kritiek geconfronteerd. Bij mij is het er echt ingeramd, door mensen als Rudi, de balletmeesters. Zo gebeurt het nu niet meer. Jongere dansers zeggen: tot hier en niet verder, die willen niet met zichzelf worden geconfronteerd. Maar dan wordt het vrijwel onmogelijk correcties te geven, iets over te brengen. Ik word daar soms kwaad over. Néém nou eens die kritiek, sla het op, maak er iets positiefs van! Ik ben blij dat ik het wel heb geleerd, want ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is voor je groei. Als mens, als danseres, als alles.”

Pure schoonheid

„Diepzeeduiken is naast ballet het enige waarvoor ik echt passie voel. Je bent een bezoeker in een totaal andere wereld. En je hoeft niet te praten, daar heb je het weer. Die stilte onder water is ongelooflijk mooi. Pianoconcerten in het Concertgebouw, dat vind ik pure schoonheid. Romeo en Julia: honderdduizend keer gehoord, maar god wat mooi. Ik denk dat ik er zo van kan genieten omdat ik er net niet genoeg van afweet. Bij dans is er altijd wel wat: je ergert je aan een kostuum, hij strekt zijn voeten niet, dit, dat. Giselle van de Opera van Parijs was de laatste voorstelling die ik zag waaraan echt álles goed was. Ballet ontroert me niet meer zo snel.”

Wel praten

„Heel lang wilde ik veel dingen voor mezelf houden. Maar ik snap wel dat mensen meer van je willen weten en je kunt ook best het een en ander delen. Misschien begrijpen mensen je dan beter, en gaan ze meer van je houden. Of juist niet. Open zijn is niet zo erg.”

Romeo en Julia van Het Nationale Ballet t/m 14/5. Inl: www.het-ballet.nl